Skip to main content

Full text of "1980 0001 HOBBIT"

See other formats




Maandblad voor Hobby-elektronica, 





3 Manieren om zelf uw 
UN CR 0 Cota Noo hoo L 





met modulen… 


Met modulen: TI-58 en TI-58C 
Op zich is de TI-58 al een baan brekende 
rekenmachine. Met zijn maximaal 480 
programmastappen of 60 geheugens 
kan hij vrijwel elk soort bereke - 
ning aan: van financiële en 
statistische tot technische 
en astronomische. 
De T1-58C voegt daar nog 
eens het niet onaanzienlijke 
voordeel van een Constant 
Memory aan toe. Beide machines 
zijn bruikbaar met verschillende 
insteekmodulen. Gratis bijgeleverd 
wordt de „Master Library” module, 
slechts een vingernagel groot, maar levert 
wel 25 extra programma’s op wiskundig 
statistisch en financieel gebied. 




























Met de hand: T1-57 
Een zeer laaggeprijsde machine, erg veelzijdig en 
met computereigenschappen. Via het 
simpel indrukken van toetsen, kunt 
u de T1-57 leren om specifieke 
problemen op te lossen. De 
50 multi-toets programmeer- 
stappen (max. 150 intoet- 
singen), de 8 meervoudig 
bruikbare geheugens, de sub- 
routines, de labels en de geavan- 
ceerde rekenlineaalfunkties doen 
de rest. Ideaal voor vakman, 
zakenman en student. Het ideale 
AOS invoersysteem maakt het mogelijk 
opdrachten in te voeren zoals u ze 
zou opschrijven. 


met de hand… 





TEXAS INSTRUMENTS fi 


Texas Instruments Holland B.V., European Consumer Division 
Laan van de Helende Meesters 421a, 1186 AL Amstelveen, tel. 020 -47 33 91 


met modulen 
of magneetkaartjes… 


Met modulen en 
magneetkaartjes: T1-59 
Behalve op insteekmodulen 
werkt de TI-59 ook met 
magneetkaartjes. 
Zodat u uw 
eigen program- 
ma bibliotheek 
kunt opbouwen 
naast die welke in 
de modulen 
geprogrammeerd zijn. 
De T1-59 biedt 
maximaal 960 program- 
mastappen of 100 geheugens. 
















PC-100C: printer voor 
de TI-58, TI-58C en 
TI-59 

Een uniek stuk randappara- 
tuur: de programmeerbare 
TI-58, TI-58C oft T1-59 
kunnen in een wip op de 
printer worden bevestigd. 
Geruisloos en snel wordt uw 
berekening afgedrukt precies zoals 

u dat wenst. Zelfs grafische voorstellingen van bepaalde 
uitkomsten kunnen worden geproduceerd. 





adviesprijs incl. BTW: 
T1-57 f139,-, TI-58 f 325,—, TI-58C f 395,—, ee 
T1-59 f999,-, PC-100C f 939, initovatie 


o 








Verkrijgbaar o.a. bij de volgende bedrijven: Amsterdam, Lorjé, 3 zaken, 020-232701,e Valkenberg, 3 zaken, 020-184022,e Vroom & Dreesmann, 60 zaken, 020-5959111, Den Bosch,e CIB, 225 
zaken, 073-215315, @ Dixons, 41 zaken, 073-420505, Heerlen, e Sokla, 1 zaak, 045-724379, Hengelo, e Neco, 25 zaken, 074-427275, Lelystad, e Capi Lux, 15 zaken, 03200-22844, Nijkerk, e 
Expert, 126 zaken, 03494-54894, Pijnacker, @ All Wave, 10 zaken, 01736-5961, Rotterdam, e KMC, 1 zaak, 010-137070, Tilburg, @ Aarts, 5 zaken, 013-430040, Wychen, @ Veneka, 130 zaken, 
08894-12185, Zaandam, e Wastora, 1 zaak, 075-127127. Volledige dealerlijst op aanvraag verkrijgbaar. 


Omcirkel no. A1 op de Infokaart. 


HOND Me 


Maandblad voor 
Hobby-elektronica 


Uitgave van: 
Kluwer Technische Tijdschriften 


Redactie, administratie en advertentie-afdeling 
Nederland: 

Postbus 23, 7400 GA Deventer 

Tel.: 05700-91911 Postgiro 861221, telex 49540 


België: 
Abonnementen: KBnr. 408-001 2005-42 
Advertenties: KBnr. 408-0012007-44 


Redactie: 

H. ten Bosch, hoofdredacteur 
P.J. Smulders 

Tj. Venema 


Vaste medewerkers: 

ir. F. H.J. F. Janssen, drs. W. D. M. Janssen, H. 
Leydens, B. van Wierst, D. Winia. 

De in Hob-bit opgenomen schema's en bouwbeschrijvingen 
zijn uitsluitend bestemd voor huishoudelijk en experimenteel 
gebruik. (octrooiwet). 

Het auteursrecht t.a.v. de redactionele inhoud van dit 
tijdschrift wordt voorbehouden. Ongeautoriseerde verveel- 
vuldiging en/of openbaarmaking van het geheel of gedeelten 
daarvan op welke wijze ook is verboden. 


© 1980 


Abonnementen: 

Nederland: 

Jaarabonnement (excl. 4% btw) f 36,50 
Losse nummers (incl. 4% btw) f 3,75 
Buitenland f 101,- per jaar 
Luchtposttarief op aanvraag 


België: 

Jaarabonnement F 620, (incl. 6% btw) 

Losse nummers F 60, (incl. 6% btw) 

Een nieuwe abonnee kan zich voor inschrijving wenden tot: 
Kluwer Technische Tijdschriften, Van Putiei 33, 

2000 Antwerpen. 


AMAVOX, Transistorstraat 1, 3590 Hamont tel: 011-445156. 


Collectieve abonnementen dienen afgesloten te worden bij: 
Kluwer Technische Tijdschriften, Antwerpen. 


Nieuwe abonnees ontvangen van de administratie een stor- 
tings-acceptgirokaar. Men wordt verzocht voor betaling van 
het abonnementsgeld van deze kaart gebruik te maken. 
Opzegging van het abonnement kan uitsluitend 

schriftelijk geschieden, uiterlijk 1 maand voor het 

einde van het kalenderjaar, nadien vindt automatisch 
verlenging voor 1 jaar plaats. 


Nederland: 

Advertenties 

H. Smienk 91471 
Inlichtingen redactie 

Dinie Kauw 91487 
Inlichtingen abonnementen 
Manny Roman 91463 


België: 

Redactie: M Verstrepen 

Advertentie exploitatie: G. Vercammen 

Reclame en promotie: D. Apers 
Advertentie-opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig 
onze leveringsvoorwaarden gedeponeerd ter Griffie van de 
Arrondissements-Rechtbanken en bij de Kamers van Koop- 
handel in Nederland. 


Verkrijgbaar bij stationskiosken, boek- en 


__radiohandelaren. 


lid NOTU, Nederlandse Organisatie van 
Tijdschrift-Uitgevers 

lid FPPB, Federatie van de Periodieke Pers voor 
België. 

ISSN 0165 - 375 x 


COLLEGIALITEIT ? 


In de grijze oudheid toen de MARC re- 
geling nog geen feit was en het ondenk- 
baar leek dat de PTT ooit toe zou geven 
aan de drang van de amateurs, werd in 
interviews de geweldige collegialiteit en 
behulpzaamheid van de ‘amateur’ 
geroemd. 

‘Amateurs’ waren een bijzonder slag 
mensen met gevoel voor de medemens. 
De burgerband, mits eenmaal toegelaten, 
zou een zegen voor de burger betekenen. 
Beter dan praatpalen, beter dan de politie 
en brandweer, zou de hulp aan de burger 
door de burgerband tot ongekende 
menslievendheid leiden. 

De teleurstelling nu de MARC burger- 
band er dan is kent vrijwel geen grenzen. 
Kanaal negen, notabene noodkanaal bij 
onderlinge ongeschreven overeenkomst, 
wordt gebruikt voor patat-geleuter tussen 
allerlei huisvrouwen en kleine jongens die 
op de bak van broer of pa zitten. Kanaal 
veertien wordt schaamteloos schoonge- 
blazen door onbenullen die menen hun 
kracht met lineair geweld door de an- 
tennes te moeten persen. 

Onbegrip en onverstand vieren hoogtij. 
Dat wat zend-amateurs zouden moeten 
zijn, zijn anonieme misbruikers van een 
medium dat veel meer genoegen zou 
moeten kunnen geven. Het wordt prak- 
tisch onbruikbaar door ellenlange con- 


versatie van mensen die met niet toege- 
laten apparaten de kanalen bezetten. 
Het is niet juist het probleem terug te ver- 
wijzen naar de PTT die de zaak niet in de 
hand zou hebben! Het is een zaak van alle 
MARC gebruikers samen. Amateurs met 
bakken die zich aan de regels houden 
kunnen hun zelfbeheersing tonen door 
een break te maken en anderen op te 
voeden. De handel dient de drang naar 
winst te laten wijken voor het gezonde 
verstand: handelaren die illegale spullen 
leveren dienen te beseffen dat het niet fair 
is een legale amateur in de wielen te laten 
rijden. De koper die vijfhonderd gulden 
neertelt voor bakkie en antenne moet hem 
zoveel waard zijn, dat hij die koper res- 
pecteert en de illigale apparaten niet 
langer verkoopt. Wie bij handelaren ille- 
gale apparaten ziet, moet gewoon niet 
kopen bij die handelaar. 
Na januari 1981 zal de rage voor de 
huidige MARC apparaten sterk afnemen. 
De eerste generatie MARC apparaten 
raakt nu al uit de mode en de vraag in de 
handel neemt zo sterkt af, dat handelaren 
de prijzen al met 50% en meer hebben 
laten zakken. Na de voorjaarsopruiming 
wordt de hobby een stuk interresanter. 
Wie de tijd en het geld op wil brengen kan 
dan de tweede generatie apparatuur 
aanschaffen die veel meer mogelijk- 
heden biedt binnen een half watt door 
selectieve oproep mogelijk te maken. 
Hein ten Bosch 


De 


Vaste rubrieken 

Actueel 4 
In het volgende nummer 46 
Tentoonstellingen 

Hob-bit op Intratel 7 
Wetenswaardigheden 

Wat is een meerdekschakelaar? 7 
Hoe hoog moet de naalddruk van een 
pick-up zijn? 18 


Praktische tips 


/Zelf printen maken 10 


Zelf ontwerpen, stap voor stap (2) 38 


Microcomputertechniek 
Bit voor bit (2) 35 





Bouwontwerpen 


Akoestische leidingzoeker 6 
Reactietester 20 
Professionele alarmcentrale (5) 26 
Versterkersysteem met hybride 

schakelingen (1) 42 





Auto-elektronica 
Hybride auto 30 








Achtergronden 
Donder en bliksem 32 


Hobby communicatie 
Een dagje Radiocontroledienst 15 





omslagfoto: Nico v.d. Stam NVP 


TE 


Hobbit 


3 


Er is nog nooit een schakeling of 
een systeem gebouwd dat niet 
eerst op een werktafel is ontwik- 
keld; met veel spaghetti en losse 
printjes en gevoed uit een tafel- 
voeding die voor die gelegenheid 
was afgesteld op de vereiste voe- 
dingspanning. 

De belangrijkste eis die men aan 
een goede hobbyvoeding mag 
stellen is dan ook de uitgangspan- 
ning binnen ruime grenzen regel- 
baar is. Bovendien moet die uit- 
gangspanning en liefst ook de op- 
genomen stroom, afleesbaar zijn. 
Vanzelfsprekend moet de inge- 
stelde _uitgangspanning ook 
nauwkeurig en stabiel zijn, zowel 
bij belastingvariaties als bij net- 
spanningsveranderingen. 

Aan deze eisen voldoen de tafel- 
voedingen van Farnell's E30-se- 
rie in alle opzichten. De serie be- 
staat uit drie modellen, die alle drie 
rechtstreeks op het net (220V/ 
50Hz) kunnen worden aangeslo- 
ten. Model E30/1 kan 0-30V bij 
maximaal 0,5A of, na het omzet- 
ten van een schakelaar, 0-15 V bij 
1 Aleveren. 

Voor model E30/2 bestaat in feite 
uit twee afzonderlijke tafelvoedin- 
gen in één kast. Van de twee uit- 
gangen kan, onafhankelijk van el- 
kaar, 0-30V bij 1A of 0-15V bij 2A 
worden afgenomen. 





Alle voedingseenheden hebben 
een ingebouwde analoge meter 
waarop _uitgangspanning of 
-stroom kan worden afgelezen (de 
ET30/2heeft er twee). De stabili- 
satie bij +10% netspannings- 
variatie is beter dan 0,02% en bij 
maximale belastingvariatie beter 
dan 0,03%. 

De effectieve waarde van rimpel 
en ruis is kleiner dan 1mV en de 
temperatuurcoëfficiënt is beter 
dan 0,02%/’C. De voedingseen- 
heden hebben een ingebouwde 
stroombegrenzer die begint te 
werken bij 110% van de maximale 
uitgangstroom. Na het wegnemen 


van de overbelasting of de kort- 
sluiting herstelt de uitgangspan- 
ning zich automatisch. Dit geldt 
niet alleen bij plotselinge overbe- 
lastingen, maar ook bij ge- 
leidelijke. 


Inl. Koning en Hartman Elektro- 
techniek BV, Koperwerf 30, 
2544 EN Den Haag. (070) 210101. 


Voor meer informatie: Omcirkel nr. 211, 
van de info-kaart. 


De najaarsleergangen van de 
Stichting Nederlandse Techni- 
sche School starten binnenkort 
opnieuw in tal van plaatsen. Deel- 
neming aan deze avondleergan- 
gen is thans mogelijk in Amster- 
dam, Arnhem, Bergen op Zoom, 
Breda, Eindhoven, Enschede, 
Groningen, Heerenveen, ’s-Her- 
togenbosch, Leiden, Maastricht, 
Rotterdam, Utrecht, Venlo en 
Zwolle. 

De leergangen in de sector Tech- 
niek zijn Industriële elektronica, 
Microcomputers, Elektronische 
regelingen en meetmethoden, 
Medische elektronica, Program- 
meerbare besturingen, Industriële 
elektrotechniek, Informatica, 
Meet- en regeltechniek, Verwar- 
mings- en luchtbehandelingstech- 
niek, Hydrauliek en pneumatiek 
en tekenen en tekeninglezen. 
Elke leergang bestaat uit twee of 
meer cursussen van drie maan- 
den, met één lesavond van drie 
uur per week. De deelnemers be- 
ginnen dan ook altijd met het blok 
dat de beste aansluiting biedt op 
hun huidige kennis. Deelneming 
aan de cursussen heeft tevens 
het voordeel dat in korte tijd een 
degelijk en praktisch inzicht wordt 
verkregen. Dit wordt mede bereikt 
door de integratie van theorie en 
praktijk. Deze methode heeft een 
groot leereffect, terwijl de deelne- 
mers bovendien hun nieuw-ver- 
worven kennis direct in hun job 
kunnen toepassen. 

Na voltooiing van een cursus ont- 
vangen de deelnemers een ver- 
klaring als bewijs dat zij met suc- 
ces aan een praktijkgerichte stu- 
die hebben deelgenomen. Het 
examen aan het einde van een 
leergang wordt tweemaal per jaar 
te Utrecht afgenomen onder toe- 
zicht van een rijksgecommitteer- 
de, want de NTS is erkend door de 
minister van onderwijs en weten- 
schappen. 


Inl.: Centraal bureau van de NTS, 
Jacob Marisstraat 61, 1058 HX 
Amsterdam, (020) 15 72 22. 


Voor meer informatie: Omcirkel nr. 212 
van de info-kaart. 


2x 6V 4,2A 
2x 9V 2,8A 
2x 12V2,1A 
2x 15V 1,7A 


15-240 Watt! 


VERSTERKER BOUWEN 


MET ILP-MODULES: SNEL en VOORDELIG, 


SNEL: slechts 5 aansluitingen op elke versterkermodule 

VOORDELIG: bijv. de 60W-module kost slechts f 129,10 inkl. BTW, kant-en- 
klaar gebouwd en met aangebouwd koellichaam. 

KWALITEIT: 2 jaren garantie en uitstekende geluidskwaliteit. 
TOEPASSINGEN: hifi installaties, discotheken, P.A, gitaarversterkers, 
studio's, ziekenuizen, stadions, enz. 

GEGEVENS: frekwentiebereik 10-45000Hz +alle zijn meervoudig be- 
veiligd +geschikt voor luidsprekers vanaf 4 ohm + degelijk Engels fabrikaat 
L.L.P. +alle modules zijn gebouwd en getest +2 stuks geschikt voor stereo + 
geen elko's extra nodig + geen afregelpunten + geen zelfbouwproblemen + op- 
vallend kompakt + duidelijke Nederlandse gebruiksaanwijzing + professionele 
kwaliteit + zeer aantrekkelijke prijzen bij zóveel pluspunten. 

Alle types en bijbehorende voedingen uit voorraad leverbaar. 

De meeste voedingen bevatten een ILP-ringkerntrafo (zie onder). 
VOORVERSTERKER HY6 is universeel, zeer kompakt en bevat toonrege- 
lingen. Veel toegepast in mengversterkers, vraag gratis brochure MIX. 
HY30 levert 15W sinus in 8 ohm, kant-en-klare module. 

HY50: 25W sinus, veelgevraagde betrouwbare module. 

HY120: 60W sinus, met ruim koellichaam + ook 2 jr. garantie. 

HY200: 120W sinus, idem, ook professionele kwaliteit. 

HY400: 240W sinus, idem. groot aangebouwd koellichaam. 

Dit zijn de meest verkochte komplete versterkermodules in Ned.! 
Verkrijgbaar bij veel winkels in Nederland en België. Vraag lijst. 

Meer gegevens op aanvraag. Bel even, ook 's avonds en zaterdags: 


RODEL Geluidstechniek b.v. 


Sanderij 10, 7491 GX Delden, tel. 05407-2024 


RINGKERNTRAFO'S 


DEZE NIEUWE I.L.P.-RINGKERNTRAFO'S BIEDEN VEEL VOORDELEN 
T.O.V. DE OUDE RECHTHOEKIGE BLIKPAKKET TRAFO'S: 

. GEWICHT IS DE HELFT. Het chassis wordt minder zwaar belast en 
draagbare apparatuur wordt veel lichter. 

‚ HOOGTE IS DE HELFT. De kasthoogte kan nu minder worden, dus 
goedkopere kast. 

. MAGNETISCH STROOIVELD VEEL KLEINER. Hierdoor veel minder 
brominduktie naar bijv. voorversterkers. 

. NULLASTSTROOM ZEER LAAG. Met ILP-ringkerntrafo's is deze ca. 10x 
zo klein, dus minder energieverspilling. 

„ SNEL TE MONTEREN. Er is slechts 1 centraal gat nodig. Meegeleverd 
worden 3 ringen en een lange bout. 

. LAGE TEMPERATUUR door groot wikkeldraad-oppervlak. 

. GEEN BROMGELUID. Er is geen luchtspleet en er zijn geen blikplaatjes die 
kunnen trillen. 

. HOGE BETROUWBAARHEID. |.L.P. gebruikt wikkeldraad van zeer hoge 
kwaliteit en verricht isolatietest met 4000V. 

. LAGE PRIJZEN. Veel pluspunten met |.L.P.-ringkerntrafo's en toch is de 
prijs vaak niet hoger dan van gewone trafo's! 
Verkrijgbaar in veel winkels in Nederland en België. 
Meer gegevens op aanvraag bij RODEL b.v, zie boven. 
UIT VOORRAAD leverbaar o.a. de volgende types: 


2x 18V 1,4A 
2x22V 1,1A 
2x 6V6,6A 
2x 9V 4,4A 


2x 12V 3,3A 2 x 25V 1,6A 
2x15V 2,7A 2x 6V 10A 
2x 18V 2,2A 2x 9V6,7A 
2x22V 1,8A 2x 12V 5,0A 


2x 15V 4,0A 
2 x 18V 3,3A 
2x 22V 2,7A 
2x 25V 2,4A 


2 x 25V 3,2A 
2 x 30V 2,7A 
2 x 25V 6,0A 
2x 30V 5,0A 





4 


Omcirkel no. A2 op de Infokaart. Hobbit 


Een échte 
zendamateur 
bereikt méér. 


Jazeker. Want als échte zendamateur mág je meer. 
Daar staat de officiële PTT-machtiging borg voor. 
Zenden met een groter vermogen bijvoorbeeld. 

Op een andere golflengte en met lineaire versterking. 

En dús met een groter bereik. Dat betekent: méér contacten. 
Meer informatie uit binnen- en buitenland. Meer echte 
zendvrienden, die je al snel opnemen in dat wijdvertakte net 

van enthousiaste zendliefhebbers dat 
de gehele wereld omspant. Daar is 
zo’n 27 emceetje speelgoed bij … 










Als u wilt zenden, wordt dan 
een échte zendamateur. 
ZSN Haal een zendmachtiging, 
SÍ doe examen bij de PTT. 
sm Ingewikkeld? Dat valt wel 
mee. Gewoon een goede 
opleiding volgen. Bij de 
Leidse Onderwijsinstellingen, 
die voor de officiële 
zendmachtigingen D en C 
uitstekende cursussen verzorgen. 
Kort, doelgericht, en voor de 
volle honderd procent afgestemd op de 
PTT-examens. En met exact díe informatie 
die je als échte zendamateur nodig hebt. 


Meer informatie? 


Vraag de gratis studiegids aan. U ontvangt dan snel 
en vrijblijvend alles wat u weten wilt. Vul de bon in, knip 'm 
uit en stuur 'm op naar de Leidse Onderwijsinstellingen, 
Antwoordnummer 1, 2500 VB Leiden (postzegel niet nodig), 
of bel 071-899255* (ook 's avonds en in het weekend). 


Z 


leidse onderwijsinstellingen 


3-498 


Erkend door de minister van onderwijs en wetenschappen, 
bij beschikking van 5 maart 1975, kenmerk BVO/SFO-129.718. 
Leidsedreef 2, Leiderdorp 


overdag, maar óók 's avonds en in het weekend, kunt u 
telefonisch een studiegids aanvragen: bel (071) 899255* 


Informatiebon 


| | 
| Ja, stuur mij alle informatie over de cursussen Zendamateur. | 
| | 
| … | 
| 
| | 


Posteode/WoonplaatS nnen 


Knip deze bon uit en stuur 'm in een envelop zonder postzegel naar 
Leidse Onderwijsinstellingen, Antwoordnummer 1, 2500 VB LEIDEN 


Omcirkel no. A3 op de Infokaart. 


AMATEUR 
ELEKTRONICA 


door Jan Soelberg, nu ook in het 
Nederlands 


Dit boek is oorspronkelijk opgezet om kit-bouwers een 
algemene ondergrond te geven betreffende de 
elektronica. 

Wie een kit samenstelt kan dat meestal doen zonder veel 
van elektronica te weten, maar zodra men een bepaalde 
schakeling wil wijzigen of een storing ondervindt, blijkt 
kennis van elektronica zeer nodig te zijn. 


De opbouw van het boek is uitermate logisch met een 
aantal hoofdstukken over atoomtheorie, halfgeleiders, 
stroom en spanning, condensatoren, magnetisme, Wet 
van Ohm en uitleg over weerstanden. 

Maar ook verder wegliggende onderwerpen als meten, 
gelijkspanningskoppeling en AM-FM modulatie komen 
aan de orde in de eerste 223 pagina's. 

Belangrijk is dat de hoofdstukken worden gevolgd door 
keuzevragen die door de lezer als zelfcontrole kunnen 
worden opgelost. 

Het boek bevat een groot aantal praktische schakelingen 
waarvoor alle materiaal in de onderdelenhandel te koop is. 


“Amateur Elektronica” kunt u bestellen door overmaking 
van f 29,75 op postgiro nr. 4181374 t.n.v. Kluwer 
Technische Tijdschriften onder vermelding van Amateur 
Elektronica. 





Omcirkel no. A4 op de Infokaart. 


4 Bouwontwerp 


Akoestische 
leidingzoeker 


Het nadeel van veel leidingzoekers is dat er nogal moeilijk verkrijgbare 
componenten in voorkomen. Daarnaast werken de meeste optisch, wat in 
de praktijk meestal niet optimaal blijkt te voldoen. 


Het doel van een leidingzoeker is op te 
sporen waar zich in muren, plafonds en 
vloeren elektrische leidingen bevinden. 
Omdat zich rond elke elektrische leiding 
een magnetisch veld bevindt, kan hiermee 
de leiding in kwestie worden aangetoond. 
Hiervoor is een apparaat nodig dat de 
(meestal zwakke) magneetvelden rond 
leidingen kan onderscheiden. Daarbij 
doet zich in de praktijk een moeilijkheid 
voor. Gezien de hoeveelheid elektrische 
leidingen in elk huis is vrijwel overal in de 
woning een zwak magnetisch veld aan- 
wezig. Een leidingzoeker die werkt vol- 
gens het ja-nee principe heeft daarbij niet 
zoveel effect. Immers zo'n ding moet dan 
kritisch worden ingesteld en het is maar de 
vraag in welke geval een zwak magne- 
tisch veld in een ruimte of bij een leiding 
wordt geconstateerd. 

In die gevallen voldoet een optische indi- 
cator meestal niet. Daarbij wordt gewerkt 
met licht, waarbij het meestal de bedoe- 
ling is dat het licht aangaat als er een 
leiding wordt opgespoord. Een dergelijke 
schakeling werkt alleen maar goed als er 
een groot onderscheid is tussen het mag- 
netisch veld in de ruimte waarin men zich 
bevindt en het magnetisch veld rond de 
leiding die wordt opgespoord. 

Een betere methode voor het opsporen 
van leidingen is mogelijk m.b.v. de zoge- 
naamde akoestische vergelijkingsmetho- 
de. 


Hoe werkt dat? Wel, hierbij wordt via een 
versterkerschakeling de ‘bromtoon’ van 
het magnetisch veld rond de lichtnetlei- 
dingen hoorbaar gemaakt. Via een hoofd- 
telefoon wordt geluisterd naar de brom- 
toon, die meestal aanwezig is. Deze toon 
komt niet door sen slechte voeding van de 
detector, maar van het magnetisch veld 
dat zich overal in huis bevindt. Als het 
apparaatje wordt verplaatst zal de hoor- 
bare toon veranderen. Dit gaat zowel in 
sterkte als in klank. Een sterker wordend 
geluid duidt erop dat het magneetveld 
sterker wordt, zodat het apparaatje zich 
meer in de buurt van de leiding bevindt 
waardoor het veld wordt veroorzaakt. De 
klankverandering, vooral in die zin dat er 
een helder geluid ontstaat, bevestigt het 
eerst waargenomen effect. 

Door nu de leidingzoeker bijvoorbeeld bij 
een muur te houden kan worden vastge- 


steld waar het magneetveld het sterkst is. 
Op die plaats zal zich in de muur zeker een 
leiding bevinden. Enig oefenen met de 
leidingzoeker is vrij gemakkelijk door ge- 
woon een reeds bekende leiding te ne- 
men. Na enige oefening zal blijken dat 
men via de akoestische opsporingsme- 
thode feilloos leidingen kan vaststellen. 
Ook metaal is gemakkelijk op te sporen, 
omdat hierbij meestal ook een sterker 
magnetisch veld aanwezig is. 





Fig. 1. Een emittervolger is bedoeld om de 
ingangsweerstand omhoog te brengen. Daar- 
bij treedt geen spanningsversterking op. 


Hoogohmige ingang 

Een belangrijke voorwaarde voor een 
goed werkende leidingzoeker is een 
hoogohmige ingang. Hiermee wordt dan 
het magnetisch veld ‘opgepikt’. Als anten- 
ne wordt een kort stukje koperdraad ge- 
bruikt, met een lengte van ca. 5 cm. 

Een karakteristieke hoogohmige verster- 


Fig. 2. Een darlington emittervolger maakt 
gebruik van 2 transistoren, waardoor de in- 
gangsweerstand extreem ver omhoog kan 
worden gebracht. 





ker is de zogenaamde emittervolger. 
Figuur 1 geeft daarvan het schema. 


Punt A is de hoogohmige ingang en B de 
relatief laagohmige uitgang. Kenmerk van 
een schakeling volgens fig. 1 is dat er 
geen spanningsversterking plaats vindt. 
Integendeel: het signaal op B is iets klei- 
ner dan bij A. Wel gaat de weerstand van 
punt A, door de transistorwerking, dras- 
tisch omhoog. Dit komt door de stroom- 
versterking van T1. Op Bis de weerstand 
net zoveel kleiner als het quotiënt van de 
weerstand op punt A en de stroomverster- 
king vanT1. 

De weerstand op A is daarbij gelijk aan de 
parallelschakeling van R1 en R2, terwijl 
ook R3 een rol speelt. Op punt B komt bij 
de genoemde berekening eigenlijk nog 
weerstand R3, die bij de weerstand op 
punt A moet worden ingecalculeerd. 
Hoewel de trap volgens fig. 1 een redelijke 
ingangsimpedantie kan hebben is de 
‘overzetverhouding’ nog niet groot ge- 
noeg voor verdere sturing. Nu is punt A 
te laagohmig of punt Bte hoogohmig. Een 
oplossing geeft fig. 2. 

Hier zien we een zogenaamde darlington- 
schakeling, waarbij 2 transistoren achter 
elkaar zijn geschakeld. Nu wordt de weer- 
stand op punt A (eigenlijk heet dat ‘impe- 
dantie’) eerst via transistor T1 omhoog 
gebracht, terwijl op B al een veel kleinere 
weerstand staat. B is de ingang van tran- 
sistor T2. Deze transistor brengt de weer- 
stand van B verder omhoog, terwijl op C 
een extreem lage weerstand staat, die 
voor ons bruikbaar is om te worden ge- 
koppeld met een speciale versterker. 





Fig. 3. Als spanningsversterker wordt een 
uÂ741 OpAmp gebruikt. Deze heeft boven- 
dien een laagohmige uitgang. 


De OpAmp 

Figuur 3 geeft deze versterkerschakeling. 
Het gaat hier om een operationele ver- 
sterker (OpAmp) van het bekende type 
uA741. 

Deze versterker heeft 2 tegenstelde in- 
gangen en één uitgang. Een OpAmp ken- 
merkt zich door de zeer hoge versterking 
en laagohmige uitgang. Op punt X komt 
het signaal van de ingangstrap binnen. 
Via koppelcondensator C1 en weerstand 
R4 komt het signaal op punt 2 van het IC. 
Dit is de inverterende ingang. Versterkt 





6 


Hobbit 


A Bouwontwerp 


komt het signaal op punt Y te voorschijn 
en kan daarbij vrijwel direct aan een 
hoofdtelefoon worden gekoppeld. 

De versterking van IC1 is gelijk aan de 
weerstandsverhouding van P1 en R4. Met 
P1 wordt de versterking ingesteld. Voor 
een effectieve werking van de leiding- 
zoeker wordt punt 3 van IC1 op 1/3 van het 
voedingspanningsniveau gelegd. Mede 
hierdoor is het grote klankonderscheid 


laagohmige typen krijgt R7 een waarde 
van 1 KO, terwijl bij hoogohmige typen 
voor R7 10 k wordt gekozen. 

Voor de voeding van de leidingzoeker kan 
gebruik worden gemaakt van een 9 V mini 
power pack. De stroomopname van de 
schakeling is uitermate gering (ca 1 mA), 
zodat de batterij lang meegaat. 

Elco C3 is noodzakelijk om de schakeling 
enigszins te stabiliseren. i.p.v. deze elco 


nf 





C3 aan/uiI 
10 Ë 


0OuF 


2ni lOuf 
R7 
IkQ---10ko 


hoofdtelefoon 


LEIDINGZOEKER 





Fig. 4. Hetcomplete schema van de leiding- 
zoeker bestaat uit een darlington ingangstrap, 
met daarachter een spanningsversterker. 


waar te nemen in de hoofdtelefoon. Dit 
klankonderscheid wordt in belangrijke 
mate veroorzaakt door signaalvervor- 
ming. 


Het complete schema 

Figuur 4 geeft het complete schema van 
de leidingzoeker. Aan de basis van T1 
komt een kort draadje, dat dienst doet als 
antenne. 

T1 en T2 vormen samen de darlington- 
trap. IC1 versterkt het signaal. Op punt 6 
van IC1 staat het versterkte signaal laag- 
ohmig ter beschikking. 

Elco C2 ontkoppelt de gelijkspanning en 
weerstand R7 zorgt voor verdere aanpas- 
sing aan de hoofdtelefoon. Afhankelijk 
van de soort hoofdtelefoon wordt de 
waarde van R7 gekozen. Voor 


Fig.5. De volumeregelaar kan eventueel ook 
worden verplaatst naar de uitgang. In dat 
geval wordt P1 uit fig. 4 vervangen door een 
vaste weerstandswaarde. 





Hobbit 


kan meestal ook wel een kleine conden- 
satorwaarde worden aangebracht over 
R5. Hierbij voldoet 0,1... 0,47 uF. Het 
effect van deze condensator komt redelijk 
overeen met de werking van C3. 

De schakeling kan gemakkelijk op gaat- 
jesbord worden opgebouwd. Monteer IC1 
op een voetje. Dat vergemakkelijkt even- 
tuele service. 


Andere gevoeligheidsregelaar 

l.p.v. potmeter P1 uit fig. 4 kan hiervoor 
ook een vaste weefstandswaarde worden 
aangebracht. In dat geval kan de gevoe- 
ligheidsregelaar worden aangebracht 
zoals fig. 5 laat zien. Px stelt hier de 
nieuwe regelaar voor, die nu een waarde 
heeft van 10 kQ. P1 is vervangen door een 
weerstand van 1 MO. Het voordeel van de 
regeling volgens fig. 5 is gelegen in het feit 
dat hierbij het signaalniveau werkelijk nul 
kan worden gemaakt. Bij P1 uit fig. 4 is er 
altijd nog een geringe restwaarde. Deze is 
echter in de praktijk te verwaarlozen. 


hoof d- 
telefoon 


Ì 


Wat is eigenlijk een 
meerdekschakelaar? 


De meerdekschakelaar is een ‘vermenig- 
vuldiging’ van de eenvoudige meer- 
standenschakelaar. Zijn bijvoorbeeld voor 
een bepaalde toepassing twee 6-polige 
meerstandenschakelaars nodig die me- 
chanisch met elkaar gekoppeld zijn, dan 
kunnen ze door een enkele as worden 
bediend. We spreken dan van een scha- 
kelaar met twee dekken. ledere schake- 
laarfunctie, 1 x6 contacten, is mechanisch 
op een afzonderlijk dek ondergebracht. 
Hebben we twee dekken met elk zes 
schakelaarposities dan spreken we van 
een tweedekschakelaar ofwel van een 
schakelaar met 2 x 6 contacten. Het eerste 
getal geeft in dit geval het aantal dekken 
aan en het tweede getal het aantal con- 
tacten per dek. Drie dekken met elk vier 
schakelaarposities duiden we dan aan als 
een 3 x 4 contactenschakelaar. 


Hob-bit op Intratel 


Vanaf zaterdag 27 september toten met 
zondag 5 oktober heeft de tweejaarlijkse 
internationale beurs voor HiFi, ‘Intratel’, 
plaats in het tentoonstellingsgebouw 
(Heizel) te Brussel. Benevens meer dan 
65 HiFi importeurs/fabrikanten, zullen ook 
Hob-bit, Radio Elektronica, Stereo Beeld 
Test en andere tijdschriften en publicaties 
van Kluwer Technische Tijdschriften met 
een stand aanwezig zijn op Intratel '80. 
De beurs heeft plaats in paleis 11 van het 
tentoonstellingspark en is iedere dag 
geopend van 10.00 uur... 19.00 uur. 

Op 30 september en 3 oktober is de beurs 
langer geopend, nl. tot 21.00 uur. De 
toegangsprijs bedraagt 60 BF, kinderen 
onder de 12 jaar gratis. Bezoekers die per 
trein reizen krijgen een korting van 50 % 
op het normale trajecttarief. 








PHILIPS 





q| PHILIPS 





QUARTZ CONTROL 
CONTINUOUS BIAS DIRECT REEL ORIVE 










PHIL 


Gh 


IPS 


: 





MAF ORDE STO Eed Ee 


RESET 

















“wogen 


BALANGE BALANGE ek À KINK «4 
MS en 
ENE 


Een es 


MPX SIND Cd Se 


“peexojuj ep do Gy ‘ou ax119WO 





Philips HiFijstereo recorderdeck N4520. 











Met PLL kwarts- 
gestuurde aandrijving 
van de toonas en 
Direct Drive op de 
spoelassen. 


n Redelijk gelijkend portret in woorden 
van dit superdeck ziet er ongeveer zo uit: 


— drie motoren, vier sporen en drie snel- 
heden, waaronder 38cm/sec. 

— elektronische bandlengtemeter, gestuurd 
door twee fotolelektrische cellen, 
met digitale aanwijzing en memory-stop. 

— drie koppen; hyperbolische FSX/Sendust 
opname- en weergavekoppen en dubbel- 
spleet Ferriet wiskop 

— elektronische regeling van het band- 
transport 

— 26 cm haspeldiameter 

— mogelijkheden o.a: echo, mengen, review, 
cueing, sound-on-sound en voor- en 
nabandcontrole. 

Bekijk deze audiomachine in de Philips 

audiobrochure, of laat ‘m demonstreren bij 

de HiFi-dealer. 

Bruto-adviesprijs f 2.895 - 


Philips-.Vooruit in geluid. 


A Praktische tips 


Zelf printen maken: 
niet zo moeilijk als 


het lijkt! 


ledereeen kent ze zo langzamerhand wel: de gedrukte bedradingen. 
Zonder deze printplaten zou het bouwen van vele elektronische 
schakelingen al gauw uitmonden in een chaotische toestand, waarbij de 
verschillende componenten door middel van losse verbindingsdraadjes 
met elkaar zouden moeten worden verbonden. 

Voor proefschakelingetjes is deze manier van verbinden zo gek nog niet, 
maar als het definitieve ontwerp vast staat zullen de componenten toch 
op een ordelijke manier met elkaar in verbinding moeten worden 


gebracht. 


Wat is een gedrukte bedrading? 

Een gedrukte bedrading of kortweg ‘print’ 
(van het Engelse ‘printed circuit’) bestaat 
uit een pertinax- of epoxyharsplaat waar- 
op een kopersporenpatroon is aange- 
bracht. 

Dit patroon is zodanig ontworpen, dat de 
op de andere kant van de plaat aange- 
brachte weerstanden, dioden, transisto- 
ren en IC's met elkaar zijn verbonden zo- 
als het principeschema van de betref- 
fende schakeling weergeeft. Natuurlijk 
lopen de sporen op de print niet zoals de 
verbindingsdraden in het schema. In het 
schema immers kunnen kruisingen voor- 
komen, die in werkelijkheid niet bestaan. 
Op de print zijn deze kruisingen dan ook 
niet toegestaan, omdat anders een gal- 
vanische verbinding tot stand zou worden 
gebracht. 


Het kan voorkomen dat de schakeling zo 
ingewikkeld is dat deze niet zonder meer 
als sporenpatroon op een zijde van de 
plaat te zetten is. Als de sporendichtheid 
namelijk zo groot is dat een verbinding 
hierdoor niet meer kan worden gemaakt, 
wat dan? 

We moeten dan een kunstgreep toepas- 
sen. We zorgen dan namelijk, dat de ge- 
wenste verbinding niet op de koper- maar 
op de componentenzijde tot stand wordt 
gebracht. Op de koperzijde worden dan 
twee ‘eilandjes’ gemaakt, waar eventuele 
andere kopersporen tussendoor kunnen 
lopen. 


Op de componentenzijde wordt nu een 
stukje montagedraad in de twee gaatjes 
geprikt en op de koperzijde vastgesol- 
deerd. We spreken dan van een draad- 
brug, soms komt men ook de benamingen 
‘jumper’ of ‘link’ tegen. We hebben nu 
toch een ‘kruising’ gemaakt, maar omdat 
deze niet in het zelfde vlak ligt ontstaat er 
geen kortsluiting met andere koper- 
sporen. 


Andere mogelijkheden 

Als echter de schakeling zo ingewikkeld is 
dat we door de draadbruggen de com- 
ponenten niet meer zouden zien, dan 
passen we een dubbelzijdige print toe. Het 
principe hiervan is hetzelfde als dat van de 
enkelzijdige print, alleen lopen er nu 





kopersporen aan beide zijden van de 
plaat. 

Dit wordt vaak toegepast bij computer- 
printen, vanwege de vele geïntegreerde 
schakelingen die hier moeten worden 
verbonden. Het probleem bij deze printen 
is echter, dat er verbindingen moeten 
worden gemaakt tussen het sporenpa- 
troon op de componenten- en de andere 
zijde. 

Voor de elektronica-amateur bestaat hier 
de mogelijkheid om verbindings-eilandjes 
in het sporenplan op te nemen waarin dan 
later, als de print klaar is, kleine stukjes 
draad kunnen worden gesoldeerd. 
Hiervoor kan men bijvoorbeeld goed het 
afval van de aansluitdraadjes van weer- 
standen, dioden enz. gebruiken. Voor pro- 
fessionele toepassingen wordt doorge- 
metalliseerde print gebruikt. Het principe 
hiervan wordt in fig. 1a duidelijk gemaakt. 
Voor hobby-toepassingen is dit echter 
veel te duur, bovendien voldoet voor een 
enkel printje een door middel van draad- 
verbindingen zelf ‘doorgemetalliseerde’ 
print net zo goed (fig. 1b). 

Tot slot bestaat er nog een variant, de 
zogenaamde multi-layer. Hoe hier de ver- 
bindingen tot stand worden gebracht is in 
fig. 2 aangegeven: in het uitgangsmateriaal 


Vm 


ingeperst koperen 
busje met aan beide 
zijden een eilandje 


Fig. 1a. Doorgemetalliseerde print. De inge- 
perste koperen busjes verzorgen de verbin- 


soldeer 


Fig. 1b. Met behulp van een stukje draad kan 


ding tussen de beide koper eilandjes. Aanéén en zelf ook een print ‘doormetalliseren’. De 


kant solderen is voldoende. 


component 


spòortje 


Fig. 2. Bijeen multi-layer print bevinden zich in 


het materiaal diverse lagen met koper- 
spoortjes. 





eilandjes moeten wel precies onder elkaar lig- 
gen. Hier moet aan beide zijden worden 
gesoldeerd. 


stukje draad component 


soldeer 


koperen sporen In 
het materiaal 





10 


Hobbit 


MJ Praktische LPS 


(meestal epoxy) worden verschillende la- 
gen met koperen verbindingen aange- 
bracht. Het spreekt vanzelf dat dit voor 
onze toepassingen helemáál buiten de 
boot valt. 


Hoe wordt een print gemaakt? 

Men gaat uit van een ‘drager’, vroeger 
vaak pertinax, tegenwoordig veelal epoxy. 
Deze drager is 1... 2mm dik. 

Hierop wordt een dunne koperlaag ge- 
walst met een dikte van 35... 70 um. 
Deze laag wordt vaak geplakt met giet- 
hars voor een betere hechting. Het geheel 
ziet er dan uit zoals in fig. 3a is weerge- 
geven. Deze plaatjes zijn zo in de onder- 
delenhandel verkrijgbaar. 

Het koper wordt nu goed vetvrij gemaakt, 
want hierop wordt een fotogevoelige laag 
aangebracht die anders niet zou hechten. 
(fig. 3b). Nu wordt het getekende of ge- 
plakte printontwerp (lay-out) op deze laag 
gelegd en vervolgens wordt het geheel 
belicht met een UV-lamp. Dit is weerge- 
geven in fig. Sc. 

Het fotogevoelige materiaal dat op het 
koper is aangebracht heeft de eigenschap 
een chemische verandering te ondergaan 
indien het door dit ultra-violet licht wordt 
getroffen. Dit is in fig. 3d getekend. De 
zwarte laag is niet door het UV-licht ge- 
troffen en behoudt dezelfde eigenschap- 
pen als voorheen, maar het gedeelte dat 
gestippeld is aangegeven heeft onder in- 
vloed van dit licht een verandering 
ondergaan. 


De volgende fase van het proces is het 
ontwikkelen. Het geheel wordt nu in een 
bad ondergedompeld waarin zich een 
chemische oplossing bevindt, meestal na- 
triumhydroxide. De fotolaag die belicht is 
geweest is hier gevoelig voor en lost lang- 
zaam op in de vloeistof. Wat nu overblijft is 
het koper waarop de delen waar later spo- 
ren moeten komen worden beschermd 
door het laagje fotolak dat niet belicht en 
dus ook niet ontwikkeld is (fig. 3e). 

Tot slot wordt het plaatje ondergedompeld 
in een etsbad, waarbij het onbeschermde 
koper wordt weggeëtst. We houden nu de 
eigenlijke print over. (fig. Sf). 

De resterende fotolaag op de koper- 
sporen wordt met wat aceton of terpentine 
verwijderd. (fig. 39). Om oxydatie van het 
koper tegen te gaan brengen we een be- 
schermende laag aan. Hiervoor gebruiken 
we een harssoort, wat tevens het solderen 
vergemakkelijkt. 


Beginnen bij het begin: de lay-out 

Nu we weten wat de bedoeling is gaan we 
zelf een print maken. Het eerste wat we 
nodig hebben is de lay-out, het sporen- 
plan dus. 

Het is niet zo eenvoudig te zeggen, hoe 
men de kortste verbindingen kan maken. 
Ook hier geldt: er zijn vele wegen die naar 
de transistor leiden. De gemakkelijkste 





manier is om eerst een kladje te maken 
waarop de componenten worden gete- 
kend. Als eenmaal de gewenste opstelling 
is gevonden, moeten we ze onderling 
gaan verbinden. Als we de componenten- 
tenopstelling op transparant papier teke- 
nen, kunnen we gewoon het bovenaan- 
zicht hiervan weergeven. De kans op fou- 


\ EE dl 
< ROK VS 
sed Ge AN 


ten is dan veel kleiner dan dat men zich in 
allerlei bochten moet wringen omte trach- 
ten het IC of de transistor van de onder- 
kant te tekenen. 

Hierna draaien we het papier om en op de 
acherkant tekenen we met een zacht pot- 
lood de sporen. Bij een eventuele fout is 
dit makkelijk weg te gummen zonder de 


5---70 pm koper 





Fig. 3a. Dit is het uitgangs- 
materiaal: epoxy (of pertinax) 
met een dun laagje koper. 


Fig. 3b. Op het koper wordt 
een fotogevoelige laag aan- 
gebracht. 


DD 


clb) 


fotogevoelige 
laag 


En 1 11 
| | | 
* t 1 te vt tUV-licht © 4 © 4 vv 


lay-out 





Fig. 3c. De lay-out wordt op __ 
de print gelegd en het be- 
lichten kan beginnen. 


Fig. 3d. De fotogevoelige laag 
die belicht is geweest zal een 
verandering ondergaan. 


Fig. 3e. Als de print nu in het 
ontwikkelbad wordt geplaats, 
zal het door het UV-licht aan- 
getaste fotogevoelige ma- 
teriaal oplossen. 


Fig. 3f. Het onbeschermde 
koper kan nu in een etsmiddel 
worden weggeëtst. De spoor- 
tjes worden door de fotolaag 
beschermd. 


Fig. 3g. Na hetetsen kan de 
resterende fotolaag worden 
verwijderd, waarna het spo- 
renplan in de vorm van koper- 
baantjes zichtbaar wordt. 





DOOD 


è 4 | 
OD 


CALL 


EEE Meactie ten 
gevolge van 


UV-licht 


na het 
ontwikkelen 


etsmiddel 


na het etsen 


fotolaag 
verwijderen 





Hobbit 


1 


M Praktische EPS 


gehele componentenopstelling te zien 
verdwijnen. En dat er gegumd moet 
worden staat wel vast: u zult de eerste niet 
zijn die met een spoortje weg wil, maar 
zich omringd ziet door allerlei andere spo- 
ren. Dan moeten er veranderingen wor- 


den aangebracht zodat dit wel mogelijk is. 


Is het aldus ontstane sporenplan klaar en 
minstens tweemaal gecontroleerd, dan 
moeten we de ‘nette’ lay-out maken. Er 
zijn nu drie mogelijkheden: 

— alle sporen en eilanden worden met 
inkt op transparantpapier 
getekend; 

— de sporen en eilanden worden met 
behulp van wrijf- en plaksymbolen 
aangebracht; 

— een combinatie van beide bovenge- 
noemde manieren. 

De goedkoopste manier is natuurlijk zelf 

tekenen. Houdt echter twee dingen goed 

in de gaten: de sporen moeten absoluut 
lichtdicht zijn. Als het ontwerp klaar en 

‘lichtdicht’ is, houdt het dan maar eens 

voor een lamp, dan ziet u wat we 

bedoelen! 

Het komt erop neer, dat u de sporen di- 

verse malen opnieuw met de inktpen moet 

overtrekken, vooral als ze wat breder zijn. 

Tevens is het tekenen een tijdrovend kar- 

wei, omdat de inkt telkens moet drogen 

voordat u verder kunt. 

Deze problemen doen zich niet voor bij 

de tweede manier: het plakken. 

De sporen bevinden zich reeds op een 

rolletje: u plakt ze op en snijdt ze met 

een scherp mesje af: klaar! En vol- 
komen lichtdicht. Deze methode is wel 
duurder: voor een rolletje betaalt u al 
gauw zo’n zeven gulden. Hiermee kunt 

u dan wel voorlopig vooruit: er zit on- 

geveer 20 meter band op. 

Het probleem is echter, dat u rolletjes 

van verschillende breedten nodig hebt. 

Waar grotere stromen lopen moeten 

vanzelfsprekend bredere koperbanen 

lopen. U kunt natuurlijk diverse dunne 
baantjes overlappend naast elkaar 
plakken, maar dan neemt de dikte van 
de sporen snel toe, waardoor we straks 
bij het belichten in de knoei komen. 

Er zijn diverse plak en wrijfsymbolen in 

de handel verkrijgbaar: van eilandjes 

tot complete IC-strip. Indien u besluit 
tot plakken over te gaan, doe dit dan 

wel in spiegelbeald. U plakt dus alsof u 

tegen de componentenzijde aan kijkt. 

Met het transparante kladje is dit geen 

probleem: u hoeft het slechts om te 

draaien. Als u nu namelijk gaat be- 
lichten komen de sporen onder te lig- 
gen (op de gevoelige laag dus), waar- 
door de parallax-fout kleiner wordt. 
Hierover meer bij het belichten. 


Twee manieren van overbrengen 

Nu zijn er twee mogelijkheden: 

1) U koopt een spuitbus met fotolak en 
een plaatje epoxy of pertinax met een 
laagje koper; 


2) U koopt een kant en klare voorbe- 
spoten print. 


De eerste manier is de omslachtigste. 
Eerst moet de koperlaag met behulp van 
een huishoudschuurmiddel van oxydatie 
en vet worden ontdaan. Dit dient secuur te 
gebeuren, anders houdt de fotolaag 
straks niet. Het plaatje wordt nu grondig 
met stromend water afgespoeld, zodat al 
het reinigingsmiddel is verdwenen. Als de 
plaat hierna waterdruppels vertoont is dit 
een teken dat niet al het vet is verdwenen. 
Is dat wel het geval dan vloeit het water tot 
een egale waterfilm uit. Het plaatje moet 
nu goed droog worden gemaakt, bij voor- 
keur met een föhn (een doek laat dikwijls 
vezeltjes achter). 

Als het plaatje absoluut droog en vetvrij is 
gaan we het bespuiten. Enige oefening is 
hiervoor vereist. Houdt de spuitbus ca. 20 
cm van de enigszins schuinliggende plaat 
af en spuit zonder onderbreking in een 
heen- en weergaande beweging. Als er 
vlekken op de plaat ontstaan moet men 
stoppen. De lak zal uitvloeien in een dun- 
ne, gelijkmatige laag. De laag moet nu 
drogen: bij voorkeur in een oven waarvan 
de temperatuur op ca. 75° C wordt 
gehouden. Beschikt men niet over een 
oven dan kan het plaatje op een donkere 
plek worden gelegd. Bij kamertempera- 
tuur duurt het drogen dan ongeveer 24 
uur. Bij het spuiten moet direct zonlicht 
worden vermeden. 


Als u een bespoten print koopt (die ui- 
teraard duurder is), dan hoeft u slechts de 
beschermfolie hiervan te verwijderen en 
de reeds opgebrachte en gedroogde foto- 
laag blinkt u tegemoet. 

De beginner raden wij aan om met dit 
laatste te starten. Het zelf aanbrengen van 
de fotolaag vereist namelijk nogal wat 
handigheid, bovendien luistert dit zeer 
nauw. Het lijkt erg makkelijk om een lak- 
laag egaal op te brengen, in de praktijk 
ontstaan echter nog wel eens zakkers. Is 
dit het geval dan kunt u maar beter op- 
nieuw beginnen. Ook komt het voor dat de 
laag te dun wordt aangebracht. Ook dit zal 
geen goed resultaat opleveren. De vanuit 
de fabriek opgebrachte fotolaag is boven- 
dien niet zo kritisch wat betreft de soort en 
tijdsduur van belichting. 


Belichten 

Het belichten dient, zoals reeds gezegd, 
met UV-licht te geschieden. Indien het de 
bedoeling is dat slechts af en toe een 
printje wordt gemaakt, kan men de in vrij- 
wel iedere gezin aanwezige hoogtezon 
gebruiken. Het nadeel hiervan is echter, 
dat er door de infra-roodstralers (die 
meestal tevens ingeschakeld worden) 
een aanzienlijke hoeveelheid warmte 
wordt geproduceerd, wat voor de fotoge- 
voelige laag niet zo best is. De hoogtezon 
moet dan minimaal op een afstand van 30 
cm worden gehouden, waardoor de be- 


lichtingstijd toe neemt. Tegenwoordig zijn 
speciale UV TL-buizen te koop, waarmee 
het belichten wat beter zal gaan. 

De print wordt nu met de foto-gevoelige 
laag naar boven op een vlakke onder- 
grond geplaatst, waarna de lay-out hierop 
wordt gelegd. Ten slotte wordt hierover- 
heen een plaat plexiglas of kristalglas ge- 
legd. Gewoon glas houdt in belangrijke 
mate het UV-licht tegen. Het kan wel 
worden toegepast, maar de belichtingstijd 
zal dan natuurlijk ook weer toenemen. 
Zorg er wel voor dat de lay-out niet ge- 
spiegeld ligt (soldeerzijde moet boven!). 
Zojuist is al gezegd, dat men er bij het 
plakken of tekenen van de lay-out voor 
moet zorgen dat bij het belichten de 
spoortjes naar beneden wijzen. In de fi- 
guren 4a en 4b is duidelijk gemaakt 
waarom. 

De lichtbron is hier voorgesteld als een 
licht-uitstralend punt. In fig. 4a zijn de 
sporen boven gericht. De langs de zijkant 
van het spoortje lopende lichtstraal zal het 
met A gemerkte vlakje in de schaduw van 
het spoortje brengen. In fige4b is dit vlakje 
voorgesteld door B. Het zal duidelijk zijn 
dat dit een ongewenst verschijnsel is daar 
op deze plaats de laklaag niet optimaal 
wordt belicht. Het met B gemerkte vlakje is 
echter aanmerkelijk kleiner dan het met A 
gemerkte. Om dus de invloed van dit ver- 
schijnsel zo klein mogelijk te houden 
moeten de sporen naar beneden zijn 
gericht. 

De belichtingstijd is sterk afhankelijk van 
de toegepaste fotolaag, de intensiteit van 
de lichtbron en de afstand tot de print. bij 
het gebruik van een hoogtezon, een voor- 
bespoten print en een gewone glasplaat 
moet men rekening houden met een be- 
lichtingstijd van zo’n acht tot tien minuten. 
Dit zal echter experimenteel moeten wor- 
den vastgesteld. 

Het beste kan men eerst wat experimen- 
teren met kleine stukjes print van zo’n 3x 3 
cm. Probeer hierbij verschillende belich- 
tingstijden en afstanden tot de lamp uit, en 
ontwikkel ze hierna. Pas als een goed re- 
sultaat wordt verkregen kan men de 
‘echte’ print gaan belichten. We weten 
het: het is een vervelend karwei om tel- 
kens minutenlang te gaan zitten wachten 
totdat het probeerseltje belicht is om dan, 
na ontwikkeling, erachter te komen dat er 
toch iets niet helemaal goed is gegaan. 
Maar deze manier van werken is maar 
eenmalig, en het resultaat is dat er geen 
groot gat in onze portemonnaie wordt ge- 
slagen doordat het printje mislukt is en er 
dus opnieuw moet worden gespoten, of 
dat er een nieuwe voorbespoten print 
moet worden aangeschaft! 


Nu gaan we ontwikkelen. 

Zo, de print is belicht en nu gaan we met 
chemicaliën werken. Als ontwikkelaar ge- 
bruiken we een oplossing van natriumhy- 
droxyde (NaOH) met water. Deze stof is bij 
de elektronicawinkel verkrijgbaar, vaak 


ZZA SEE 


12 


Hobbit 


EEE 


wordt het bij een voorbespoten print mee- 
geleverd. 

De bereiding hiervan is niet zo moeilijk. In 
een schaaltje wordt wat warm water ge- 
daan, hierin worden de korreltjes opgelost 
(in 1 liter water wordt ongeveer 7 gram 


…_NaOH gedaan). Dit komt neer op onge- 


veer twee theelepeltjes natriumhydroxyde 
in een middelgroot, voor driekwart gevuld 
schaaltje. Letop, voordat het printje hierin 
wordt ondergedompeld, moeten alle kor- 
reltjes zijn opgelost. Is dit niet het geval 
dan zou, indien de korreltjes met de print 
in aanraking komen, de fototlaag belicht of 
onbelicht als sneeuw voor de zon ver- 
dwijnen! 

Nu wordt het printje ondergedompeld en 
met een kwastje wordt langzaam over de 
fotolaag gestreken (een zacht kwastje ge- 
bruiken, let op voor krassen). Na enige 
seconden moet het sporenpatroon zicht- 
baar worden en na ongeveer 50 seconden 
moet de plaat geheel ontwikkeld zijn. Is dit 
niet het geval, dan wordt de plaat op een 
donkere plek gelegd en de concentratie 
wat hoger gemaakt door meer NaOH toe 
te voegen. Goed laten oplossen en op- 
nieuw proberen! Let op dat er geen korrel- 
tjes tussen de haren van de kwast achter- 
blijven. Als de plaat ontwikkeld is, zal daar 
waar geen sporen of eilandjes zijn het 
blanke koper zichtbaar zijn. Dit is even- 
tueel te controleren met een ohmmeter: 
waar zich nog lak bevindt is de weerstand 
oneindig. Ook kan men de print even on- 
derdompelen in het etsmiddel: het koper 
zal direct verkleuren indien het niet door 
lak beschermd is. Gooi de ontwikkelvloei- 
stof nog niet weg, straks kan men het nog 
nodig hebben. De print wordt goed 
schoongespoeld met water. 


Etsen 

Voor de etsvloeistof bestaan verschillen- 

de mogelijkheden: 

1) IJzer (III) chloride aangezuurd met 
zoutzuur (HCI). 

2) IJzer (Ill) chloride of ferrichloride op- 
gelost in water. 

3) Zeven delen zoutzuur 35%; één deel 
waterstofperoxide 30% en 25 delen 
water. 

4) Ammoniumpersulfaat (S20s(NH4)z) 
opgelost in water. 

Voor de amateur is de eerstgenoemde 

manier de beste methode. De oplossing is 

bij de detaillist te verkrijgen. 

Opgemerkt dient te worden, dat het etsen 

de meeste tijd in beslag neemt en dat deze 

tijd zeer sterk afhankelijk is van de tem- 
peratuur. Deze temperatuur moet circa 
50°C zijn. Indien de vloeistof te heet is 
geworden zal het etsen langer duren, dit is 
ook het geval als de vloeistof (nog) te koud 
is. 

De ruimte waarin men werkt dient goed 

geventileerd te worden, daar er kwalijke 

dampen vrij komen. Men kan eventueel 

(met toestemming van moeder de vrouw 

natuurlijk) onder de afzuigkap werken. De 


„Otichtbron 


Fig. 4a. In deze figuur is te zien, hoe de paral- 
laxfout ontstaat. het spoortje zal een schaduw 
werpen op het zich in de omgeving bevinden- 
de fotogevoelige materiaal. 





Fig. 4b. Als het spoortje zich op de print be- 


vindt, is de fout kleiner. De parallax-fout speelt 
vooral een rol indien de sporen zich dicht naast 


elkaar bevinden. 





print wordt nu in de vloeistof gelegd en van 
belang is, dat de koperzijde telkens op- 
nieuw met ‘verse’ vloeistof in aanraking 
komt en dat de afgewerkte vloeistof ver- 
dwijnt. Men andere woorden: de vloeistof 
moet continu in beweging blijven. Hiertoe 
kan men het schaaltje langzaam aan één 
kant op en neer bewegen, waardoor de 
vloeistof als het ware heen en weer ‘loopt’. 
Plekken waar zich toch nog lak bevindt 
worden met de ontwikkelvloeistof nog wat 
‘na-ontwikkeld’, waarna het blankgewor- 
den koper als nog wordt weggeëêtst. 

Voor de mensen die dikwijls printen ma- 
ken is het aan te bevelen zelf een etsbak 
te maken. In deze glazen of kunststof bak 
(een oud aquarium bijvoorbeeld) wordt de 
vloeistof gegoten. Voor het opwarmen kan 
een verwarmingselement worden geno- 
men dat in de bak wordt gehangen. Het 
bewegen van de vloeistof kan worden ver- 
zorgd door een aquariumpomp, die net als 
het verwarmingselement bij de dieren- 
winkel verkrijgbaar is. Let er wel op dat de 
etsvloeistof metaal en koper zal aantas- 
ten, dus deze materialen dienen afdoende 
te worden beschermd. 

Terug nu naar onze print. Men zal op een 
gegeven ogenblik het koper zien ver- 
dwijnen. Dit begint meestal aan de rand- 
jes. Als al het koper is weggeëtst komen 
we aan het laatste onderwerp toe, het na- 
bewerken. 


Nu alleen nog nabewerken 

De fotolaag, welke zich nu nog op de ko- 
peren spoortjes bevindt, kan met behulp 
van een beetje aceton worden verwijderd. 
Ook huishoudschuurmiddel en een 
schuursponsje kunnen hier hulp bieden. 
De print moet natuurlijk ook worden ge- 
boord. Hiervoor zijn boortjes met verschil- 
lende diameters noodzakelijk. Voor IC's 
bijvoorbeeld is een 0,7 mm boortje het 
meest geschikt. Sommige dioden, relais- 
voetjes, printpennen en andere compo- 


„Ov tehtbron 
\ 


lay -out 
omgedraaid 
/ 








nenten vereisen echter een grotere dia- 
meter. Dit is natuurlijk geheel afhankelijk 
van de componenten die op de print een 
plaatsje moeten krijgen, maar over het al- 
gemeen heeft men toch wel de volgende 
boortjes nodig: 

0,7 mm; 0,9 mm; 1,0 mm en 1,3 mm. 


Als het printje is geboord halen we er met 
een fijn stukje schuurpapier de braampjes 
af. Tevens gaat het koper dan mooi glim- 
men. Tot slot wordt de koperzijde voorzien 
van een dunne laag blanke lak, die even- 
eens in de elektronicawinkel als spuitbus 
verkrijgbaar is. Deze laag wordt op de 
zelfde manier opgebracht als beschreven 
bij het bespuiten met foto-gevoelige lak. 
Als de laklaag goed droog is, kan men met 
het insolderen van de componenten be- 
ginnen. 


Tot slot nog een opmerking 
Voor professionele toepassingen wordt 
vaak negatief print gebruikt. Hier is de 
werking net andersom: het materiaal dat 
niet belicht is geweest wordt hier door de 
ontwikkelvloeistof verwijderd. Men dient 
dus ook een negatieve lay-out te hebben. 
Een van de voordelen van deze methode 
is, dat een eventuele beschadiging van 
het lay-out niet tot gevolg heeft, dat een of 
andere belangrijke verbinding wordt ver- 
broken. Hooguit zal er een stukje koper 
bijkomen op een plaats, waar dit niet ge- 
wenst is. Vóór het etsen kan men dan 
hiervan de laklaag afkrabbelen, waardoor 
ook dit plekje wordt weggeëtst. 
Voor onze toepassingen is het werken 
met positieve lak en lay-out echter verre- 
weg het makkelijkst. 
Moch het na deze aanwijzingen en tips 
nog niet gelukken om zelf een print te 
maken: geen nood. Bijde bouwontwerpen 
die in Hob-bit geplaatst worden is meestal 
een print leverbaar! 

P. Smulders. 


EE EET ET 


Hobbit 


13 


neem even de tijd 


voor de nieuwe dubbel kanaal oscillos- 
koop PM 3207 van PHILIPS en zie dan of 
je hem kunt missen. 


Bandbreedte : 
0 Hz... 15 MHz 


Gevoeligheid : 
5 mV/cm... 10 V/em 


Mogelijkheden : 
AtB 

+B Aen B 

Tijdbasis: 

0,2 s/cm… 0,5 ws/cm 


Trigger bron: 
kanaal A, B en Extern 


Triggermogelijkheid : 
AC et TV 


Voedingsspanning: 
110 en 220 V/50 Hz 
Vermogen : 25 W. 
Afmetingen: 

370 x 300 x 130 mm 


X 5 tot max. 100 ns/cm. 


Horizontale afbuiging 
via kanaal A 


Horizontale bandbreedte : 
2 MHz 


Gewicht: 4,7 kg 


Probe set PM 9328 

2 probes 0-15 MHz 
verzwakking 1/1 en 1/10 
meetkabels van 1,10 m. 


Betrouwbaar — Degelijk 


Licht en modern — Gemakkelijk te 
bedienen 


Vergelijk de PM 3207 met andere 
oscillokopen en uw besluit zal dan 
zijn dat zijn prijs meer dan waard is. 


BIJ ELKE PM 3207 WORDT GRATIS EEN 
PROBE-SET PM 9328 MEEGELEVERD INDIEN 
HIJ BESTELD WORDT VOOR 31 OKTOBER 
1980. 


1 PM 3207 +1 PM 9328 = 23.300 BF 
+ BTW) 


VRAAG ONS DE LIJST VAN ONZE VERDELERS 


PHILIPS NEDERLAND B‚V. 

AFDELING TEST- EN MEETAPPARATEN 
POSTBUS 90050 - 5600 PB EINDHOVEN 
TELEFOON : 040-782808 


MBLE N.V, 
TWEESTATIONSSTRAAT 80 
1070 BRUSSEL 

TELEFOON : (02) 523.00.00 - 2646 





Omcirkel no. A6 op de Infokaart. 











HARTOGS b.v. - Afd. MEETTECHNIEK 


meetspecialisten: 

meer dan 100 multimeters onder 1 dak 
introduceren nieuwe pocket DMM-sensatie 
de ULTRA platte 3207 van [HIOKI] 

150 x 60 x[12,5]mm 


INTRODUKTIEPRIJS 229,-* 


*__m LCD-display m. funktie 
wort elen _ _ên bereik indikatie. 
en 


m Auto-ranging. 
m AC, DC, 0. 
À =m Low power 0. 
5 & = DIODE-test. 


m 4 mm meetbussen. 

m OPTISCHE foutbed, 
indikatie. 

m ook als 3208 
met ingeb. KALKULATOR 










*_kompl. m. tas, snoeren en 
zilveroxyde batt. 
* excl. BTW 


Ing. buro HARTOGS b.v. 
afd. MEET TECHNIEK 


Strevelsweg 700/603 3083 AS R'dam - Tel. 010-817833 - Telex 28925 


Van Eagle. 
Meetapparatuur, 
mengpanelen en microfoons. 


De 











weexojuj ap do /y “ou [9YI9WO W- 










Alle informatie over 
deze zeer specialis- 
tische onderwerpen 

vindt u in onze 60 
pagina's tellende 
kleurenkatalogus. 











Vraag aan die 
katalogus. 
Hij ligt voor u 

klaar. 





Bon in envelop, frankeren als brief en sturen 
naar Eagle International, Ridderkerkstraat 15, 
3076 JT Rotterdam. Sluit f 1, aan 
postzegels bij voor de verzendkosten. 


Naam: 
Straat: nn en 
Postcode: ___ _ Ls 


Plaats: nn E D en 











Omcirkel no. A8 op de Infokaart. 


JEBy COMUNE 
Een dag je RCD 


Wat er gebeurt voor een MARC-toestel in de 


winkel ligt 


ledere Nederlander die 14 jaar of ouder is kan bij het postkantoor een 
vergunning halen om te zenden. Met die vergunning stapt hij naar de 
winkel om een MARC-bakkie te kopen. 

Voordat een MARC-apparaat echter in de winkel kan worden gekocht, 
moet het door de radiocontroledienst (RCD) van de PTT zijn 
type-goedgekeurd. Dat dit niet met de Franse slag gebeurt is Hob-bit wel 
gebleken nadat wij een dagje bij de RCD op bezoek zijn geweest. 


Wat is de RCD? 

Veel mensen denken dat de RCD zich al- 
leen maar bezighoudt met het keuren van 
MARC zend/ontvang apparatuur. Niets is 
echter minder waar. 

Met ieder elektrisch apparaat dat op één 
of andere manier storing kan veroorzaken 
heeft de RCD bemoeienissen. Zo kunnen 
huishoudelijke apparaten als was- 
machines, koelkasten, diepvrieskisten en 
ook kleine elektrische huishoudelijke 
apparaten een bron van storing veroor- 
zaken op radio en TV. Ook boormachines 
zijn hier een bekend voorbeeld van, terwijl 
ook auto’s, motorfietsen en brommers 
kunnen storen. 

MARC-apparatuur moet alvorens op de 
markt te worden gebracht type-goedge- 
keurd zijn, wat inhoudt dat één apparaat 
wordt gekeurd en de rest van de (iden- 
tieke) apparaten hiermee ook zijn goed- of 
afgekeurd. 

Goedgekeurd radiografisch bestuurd 
speelgoed is te herkennen aan het PTT/ 
RCD-goedkeuringsnummer dat op het 
speelgoed is aangebracht. De RCD be- 
staat uit verschillende afdelingen. Zo zijn 
er de afdeling ether-beleid; machtigingen; 
technische regelementen; juridische staf; 
radiostoring en nog diverse andere. Wij 
waren echter het meest geïnteresseerd in 
de meetkamer, de slachtbank dus, waar 
de MARC apparatuur een ‘medische keu- 
ring’ ondergaat. 


Waarom een keuring? 

Het is algemeen bekend dat de ‘piraten 
van de ether’ nogal wat storingen veroor- 
zaakten. Deze mensen hadden een bak, 
waarmee zij konden zenden en ont- 
vangen. Dit was echter illegaal, dus de 
gebruikte apparatuur werd overal van- 
daan gehaald. Er ontstond een echte 
wildgroei en de storingen namen toe. 
Omdat de belangstelling voor zenden 
groter werd, besloot men om een regeling 
te maken, zodat het zenden en ontvangen 
legaal kon worden zonder dat daarvoor 
een examen behoefde te worden afge- 
legd. Men is toen met de RCD gaan praten 


die een regeling heeft samengesteld 
waarbinnen het legale zenden kon plaats- 
vinden. Aan de hand van de machtigings- 
regeling (MARC) kwam het bijbehorende 
pakket technische eisen tot stand. (MARC 
= Machtigingsregeling Algemene Radio 
Communicatie). 


Om met name de radiostoringen in de 
hand te houden, moest men er natuurlijk 
op toezien dat de op de markt gebrachte 
apparatuur ook werkelijk aan de voor- 
waarden voldeed. Daarom wordt ieder 
MARC-apparaat, indien het is goedge- 
keurd, van een PTT keurmerk voorzien. 
Hierop dient men te letten bij de aankoop 
van een bakkie. Het merk is onuitwisbaar 
in het materiaal van de bak ‘geponst’. 
ledere ander manier van aanbrengen 
(stickers bijvoorbeeld) is niet toegestaan 
en betekent dus altijd bedrog! 

Men moet zich er terdege van bewust zijn 
dat het ín bezit hebben van andere zend/ 
ontvangapparatuur dan die, welke onder 
de MARC-regeling valt, een misdrijf is. 
Heeft men echter een MARC-apparaat 
zonder de bijbehorende machtiging dan 
begaat men een overtreding. Dit zijn twee 
totaal verschillende begrippen, die dan 
ook door de rechter met verschillende 
strafmaten worden gehonoreerd! 

Het is ook verboden om aan een MARC- 
apparaat iets te veranderen. Ook onder- 
delen die niets met de zender te maken 
hebben mogen niet worden veranderd, 
zoals bijvoorbeeld bedieningsorganen. 
Doet men dit wel dan valt het apparaat niet 
meer onder de MARC regeling, en heeft 
men dus een ‘illegaal’ bakkie in zijn bezit, 
wat een misdrijf betekent! 


Lineair 

De term ‘lineair’ wordt gebruikt voor een 
versterker die in staat is het zendvermo- 
gen te vergroten. 

Hoewel een lineair geen ingreep in het 
MARC-apparaat noodzakelijk maakt, is 
het uiteraard toch verboden een dergelijk 
apparaat te gebruiken. 

Het is trouwens erg asociaal om een line- 


air, ook wel ‘kacheltje’ of ‘nabrander’ ge- 
noemd, te gebruiken. Men beseft niet dat 
het gebruik van een lineair een verschrik- 
kelijke bron van storingen betekent. De 
MARC-gebruiker die in de nabijheid van 
een zender met achtergeschakelde ver- 
sterker tracht contacten te leggen krijgt 
onherroepelijk problemen. De intermodu- 
latie neemt toe en men krijgt last van blok- 
kering (de ontvanger wordt dichtgedrukt). 
Een lineair produceert, behalve een iets 
groter zendvermogen, een hoeveelheid 
rommel die niet is te overzien. Dit is ook 
logisch, die ontwerper hoeft zich niet druk 
te maken over storingen. Hem gaat het er 
allen maar om een zo hoog mogelijke ver- 
sterking te maken. Omdat het apparaat 
niet gekeurd wordt interesseert het hem 
niet wat de bijverschijnselen zijn. Daarom: 
mensen laten we het leuk houden en onze 
‘ether-collega’s’ ook hun plezier gunnen. 
Dan is er nog een misverstand dat uit de 
weg moet worden geruimd. Veel mensen 
vinden dat een MARC-apparaat een te 
klein bereik heeft, zodat het vermogen 
groter moet worden. Dit is echter een 
hardnekkig misverstand; vergroten van 
het vermogen heeft geen effect! 

Dit kunnen we het beste illustreren aan de 
hand van een voorbeeld. 


Stel dat er twee mensen in een kamer 
staan. leder staat in een hoek. Als deze 
twee mensen normaal met elkaar praten 
kunnen zij elkaar uitstekend verstaan. 

Nu staan dezelfde mensen in dezelfde 
kamer op dezelfde plaats, maar de kamer 
is echter gevuld met ander mensen, die 
allen met elkaar praten. De eerstgenoem- 
de personen kunnen elkaar nu zeer slecht 
verstaan. 

Als iedereen nu tegen elkaar zou gaan 
schreeuwen, dan verstaan zijn elkaar net 
zo min. Hun ‘bereik’ is vele malen meer 
afhankelijk van de bezettingsgraad dan 
van het vermogen. Dit is bij MARC precies 
hetzelfde. 

Als men in de stad met een MARC-appa- 
raat zendt of ontvangt, dan is de afstand 
die men kan overbruggen sterk afhanke- 
lijk van de bezettingsgraad: het aantal 
mensen dat óók zendt of ontvangt. Al 





Afb. 1. De RCD heeft geavanceerde meetap- 
paratuur tot zijn beschikking om MARC-appa- 
ratuur te keuren. 





Hobbit 


15 


A Hobby communicatie 


Afb. 2. Dit is de temperatuurkast, MARC-ap- 
paraten worden hierin getest tussen tempera- 
turen van —10°C en +55°C. 


iedereen met 10 watt zou gaan zenden 
komen zij net zo ver. Zou in het eerste 
voorbeeld slechts één persoon gaan 
staan schreeuwen, dan is hij uiteraard wel 
te verstaan, maar zijn medemensen niet. 
De PTT kan dan ook gen uitzonderingen 
maken, zodat iedereen met een halve watt 
genoegen zal moeten nemen. 


De fabrikant 

Vaak wordt, tijdens het ontwikkelen van 
een MARC-apparaat, contact gehouden 
met de RCD. De fabrikant weet dan of hij 
een verkeerde weg dreigt in te slaan, en 
kan dan de ontwikkeling nog bijsturen. 

Is het apparaat klaar, dan wordt het proto- 
type door de fabrikant aan de RCD toe- 
gestuurd. De RCD doet nu een ‘voor- 
schouw’. Dit betekent dat men bekijkt, of 
het apparaat überhaupt voor een keuring 
in aanmerking komt. Blijkt bij de voor- 
schouw dat het apparaat waarschijnlijk 
om bepaalde oorzaken zal worden afge- 
keurd, dan worden deze oorzaken aan de 
fabrikant meegedeeld. Deze kan dan 

het apparaat wijzigen, zodat de RCD nog- 
maals kan bekijken of de bak een keuring 
waard is. Hierdoor bereikt men, dat van de 
ter keuring aangeboden apparaten het 
uitvalspercentage gering is. Dit betekent 
dat het merendeel van de gekeurde appa- 
raten wordt goedgekeurd. 

De apparaten die worden gekeurd worden 
op alle mogelijke storingsaspecten ge- 
tetst. Dit komt straks ter sprake. Alstijdens 
de keuring blijkt dat een apparaat niet aan 
alle eisen voldoet maakt de RCD de keu- 
ring toch af, zodat het apparaat op alle 
aspecten bekeken is. De fabrikant wordt 
nu in de gelegenheid gesteld om het ap- 
paraat binnen één dag te herstellen, zodat 
niet opnieuw een keuring behoeft te wor- 





den aangevraagd. Lukt hem dat niet, dan 
wordt het apparaat afgekeurd; lukt hem 
dat wel, dan wordt het apparaat nogmaals 
gekeurd, en krijgt het alsnog het predikaat 
‘goedgekeurd’ of ‘afgekeurd’. De keuring 
kost de fabrikant f 1000,- excl. BTW. 

De grootste leverancier van MARC-appa- 
ratuur is de Japanse fabrikant Cybernet. 
Deze fabriek brengt verschillende merken 
zend/ontvangers op de markt, die echter 
allemaal verschillend zijn, zowel elek- 
trisch als mechanisch. 

Als een apparaat is goedgekeurd dan 
wordt het in produktie genomen. het eer- 
ste apparaat wordt naar de RCD gebracht, 
waar wordt gecontroleerd of het keurmerk 
op de juiste manier is aangebracht. 

Als het apparaat in produktie is kunnen af 
en toe steekproeven worden genomen. 


Modelbouw 

In tabel 1 is te zien welke frequenties bij 
MARC in gebruik zijn. Daarachter is het 
kanaalnummer vermeld. We zien dat de 
verschillende frequenties op enkele uit- 
zonderingen na steeds met 10 kHz op- 
lopen tussen 26,965 MHz... 27,225 
MHz. 

Er zijn vijf uitzonderingen, waarbij de fre- 
quentie niet met 10 kHz maar met 20 kHz 
oploopt. De tussenliggende 10 kHz wordt 
gebruikt voor de modelbouw: radiogra- 
fisch bestuurde autootjes en dergelijke. 
Ook hier bestaat een misverstand. De mo- 
delbouwers denken dat met de komst van 
de MARC ‘hun’ frequenties zijn ‘afgepikt’. 
Dit is echter niet waar. Het probleem dat 
zich hier voordoet is dat van immuniteit. 
Dat wil zeggen dat de ontvangertjes in de 








Tabel 1 

frequentie (MHz) kanaalnummer frequentie (MHz) kanaalnummer 
26,965 1 27,105 12 
26,975 2 27,115 13 
26,985 3 27,125 14 
26,995 m.b. 27,135 15 
27,005 4 27,145 m.b. 
27,015 5 27,155 16 
27,025 6 27,165 17 
27,035 7 27,175 18 
27,045 m.b 27,185 19 
27,055 8 27,195 m.b. 
27,065 9 27,205 20 
27,075 10 27,215 21 
27,085 11 27,225 22 
27,095 m.b 2/,255 m.b 





Afb. 3. Hier wordt een basisstation doorgemeten. Van boven naar beneden zien we een frequen- 
tieteller, een meetzender/signaalgenerator en een vermogensmeter. 








16 


Hobbit 


A Hobby communicatie 


modelbouwapparatuur niet alleen luister- 
en naar hun eigen frequentie, maar ook 
naar de naastliggende, in dit geval de 
MARC-frequenties. Dit heeft tot gevolg 
dat een modelvliegtuigje plotseling lijkt te 
worden ‘gekaapt’ zodra een argeloze 
MARC-gebruiker in zijn nabijheid komt. 
De MARC-gebruiker heeft hier echter 
geen schuld aan, de fout ligt bij de ont- 
vanger in het vliegtuigje! Dit doet zich ook 
af en toe voor bij apparatuur thuis, als 
bijvoorbeeld plotseling een enthousiast 
‘break break’ uit de luidspreker schalt tij- 
dens een concert van Mozart. Ook hier is 
de ontvanger of zelfs de versterker van de 
installatie te gevoelig voor frequenties 
waar niet op is afgestemd. 


Eisen 

Waar MARC-apparatuur allemaal aan 

moet voldoen wordt hieronder aangege- 

ven. Er worden eisen gesteld aan: 

® Uitvoeringsvorm. De apparatuur mag 
bestemd zijn voor mobiel, draagbaar of 
‘vast’ gebruik. 

® De frequenties, welke zijn toegestaan 
zijn in tabel 1 vermeld. 

® Een duidelijk zichtbaar fabrieks- of 
handelsmerk, typeaanduiding en se- 
rienummer. Bovendien moet het PTT/ 
MARC keurmerk op een duidelijk zich- 
bare plaats zijn aangebracht. 

® De mechanische en elektrische 
opbouw: 
bepaalde afregelorganen mogen niet 
zonder meer bereikbaar zijn; 
men mag allen kunnen zenden of ont- 
vangen; 
het maximale aantal kanalen is 22; 
er mag gebruik worden gemaakt van 
een frequentiesythesizer of een 
‘Phase Locked Loop’ inrichting; enz. 

® De diverse externe aansluitingen en de 
energievoorziening. 

® Het gedrag van de apparatuur tijdens 
‘standaard’ testcondities en tijdens 
‘extreme’ testcondities. Dit heeft be- 


trekking op de temperatuur en de rela- 
tieve vochtigheidsgraad. 
® Het gedrag van de apparatuur onder 
standaard en extreme voedingspan- 
ningen. Dit heeft betrekking op net- 
spanning, lood-accumulatoren, niet 
oplaadbare batterijen, enz. Voor appa- 
ratuur welke voorzien is van andere 
typen stroomvoorziening worden de 
standaard- en extreme testvoeding- 
spanningen bepaald door de directeur- 
generaal der PTT. 
Frequentietolerantie 
Zendvermogen 
Opgenomen gelijkstroomvermogen 
Modulatie 
Vermogen in het nevenkanaal 
Ongewenste hoogfrequent uit- 
stralingen 


Keuring 

Het spreekt vanzelf dat, om alle boven- 
staande eisen bij de keuring te contro- 
leren, een aanzienlijke hoeveelheid hoog 
gekwalifiseerde meetapparatuur nodig is. 
Afbeelding 1 geeft hiervan een indruk. We 
zien hier op het midden van de tafel een 
MARC-apparaat liggen. Rechts op de 
tafel staat een meettoren. Hiermee kan 
het vermogen in het neven kanaal worden 
gemeten; er zit een signaalgenerator in 
die AM of FM gemoduleerd kan worden; 
een frequentieteller; een vermogens- 
meetbank en tevens kan met de frequen- 
tiezwaai en de modulatiediepte opmeten. 
Rechts zien we de temperatuurkast staan. 
Hiermee wordt het gedrag gemeten bij ex- 
treme temperaturen. Een MARC apparaat 
moet aan de eisen blijven voldoen tussen 
—10°C en +55°C. Een close-up van de 
temperatuurkast is te zien in afb. 2. 

In afb. 3 is een meting aan een basis- 
station te zien. De meest voorkomende 
storingen die bij een keuring aan het licht 
komen zijn het ongewenst uitzenden van 
hoogfrequente signalen op nevenkanalen 
en het uitzenden van harmonischen. 


Vaak wordt in de bak een filter gebruikt dat 
tot en met de 25° harmonische wegfilterd. 
Het komt dan voor dat harmonischen ho- 
ger dan de 25e toch worden uitgestraald. 
In fig. 4 is een opstelling getekend die 
wordt gebruikt om in het open veld me- 
tingen te verrichten met betrekking tot uit- 
straling van de kast. 

Op de antenne aansluiting wordt een 
dummy aangesloten en het apparaat 
wordt op een speciale standaard gemon- 
teerd. De bak wordt vastgezet met elastie- 
ke banden. De standaard kan in alle rich- 
tingen worden bewogen. Hij is geheel van 
hout, er zit zelfs geen millimeter metaal in 
om reflecties te voorkomen. Het geheel is 
gemonteerd met kunststof boutjes. De op- 
stelling is te zien in afb. 5. Op de achter- 
grond is een vloeistofkolom zichtbaar. 





Afb. 5. Op dit apparaat wordt het bakkie be- 
vestigd, waarna netzolang wordt gedraaid tot 
de maximale veldsterkte op de meetappara- 
tuur wordt aangegeven. Deze waarde mag 
een bepaalde vastgestelde grens in de ver- 
schillende frequentiegebieden niet te boven 
gaan. 


Fig. 4. Met deze opstelling wordt de veldsterkte gemeten van het signaal dat door de behuizing van de zender/ontvanger wordt uitgestraald. 


MARC - zend 


antenne 


ontvanger 


/ met dummy-load in 
antenne ingang 


meet - 
opstelling 











Hobbit 








Hobby communicatie 





Afb. 6. Met deze Log-Per antenne wordt het 
signaal uit de ether gepikt. Op de achtergrond 
het huisje waarin de meetapparatuur staat 
opgesteld. 


Deze wordt gebruikt bij metingen aan por- 
tofoons. De vloeistof heeft een bepaald 
zoutgehalte en de portofoon wordt hierop 
geplaats. De vloeistofkolom is nu een 
dummy voor de mens, de samenstelling 
van de vloeistof is zodanig dat deze in 
radiotechnisch opzicht overeenkomt met 
eigenschappen van de mens. 

Als het apparaat op de standaard is ge- 


Afb. 7. Op deze foto is de antenne nog eens 
duidelijk zichbaar gemaakt. 





plaats, wordt op zenden overgeschakeld. 
Op een afstand van 30 m staat een an- 
tenne die de door de kast uitgestraalde 
energie opvangt (afb. 6). 

Voor metingen van frequenties van 

81 MHz... 1 GHz wordt de antenne van 
afb. 6 gebruikt. Deze antenne is ook nog 
eens duidelijk te zien in afb. 7. Dit is een 
zogenaamde log-per antenne (logarit- 
misch-periodisch). Voor lagere frequen- 
ties van 21 MHz... 81 MHz wordt een 
dipoolantenne toegepast. 


De meting wordt verricht in het huisje dat 
op afb. 6 te zien is. De man buiten en de 
man binnen communiceren met elkaar 
door middel van bewegingen met de 
handen (afb. 8). We zien hier tevens de 
meetopstelling. Het bovenste apparaat is 
een nauwkeurige frequentieteller. Hier- 
mee wordt de frequentie afgelezen die 
dóór de behuizing van de zend/ontvanger 
wordt uitgestraald. Daaronder staat de 
veldsterktemeter. Het frequentiegebied 
dat met deze meter kan worden bestreken 
kan worden ingesteld tussen 25 .. . 1000 
MHz (1GHz). 


Tot slot 

Uit het bovenstaand zal duidelijk zijn ge- 
worden dat een bakkie, voordat dit in de 
winkel verschijnt, grondig is getest. De 
kans dat een MARC-apparaat storing ver- 
oorzaakt is dan ook uiterst gering. Men 
moet de MARC-gebruikers niet verwis- 
selen met de zendamateurs. Dit zijn 
‘tokkelaars’ die een diploma hebben ge- 
haald. Zij hebben hiervoor een examen 
afgelegd dat is georganiseerd door de 
PTT en samengesteld door een onafhan- 
kelijke examencommissie. Hierin hebben 
zij vragen beantwoord op het gebied van 





Afb. 8. Dit is de meetopstelling waarmee het 
uitgestraalde vermogen van het MARC-appa- 
raat wordt gemeten. Na de meting wordt be- 
keken of het apparaat aan de eisen voldoet. 


zenden en ontvangen, ook op het tech- 
nische vlak. Zij mogen dan ook zelf hun 
bakkies bouwen. Uiteraard kunnen ook 
hierdoor storingen optreden. Als een 
zendamateur echter storing veroorzaakt 
kunt u het best met hem gaan praten, hij 
zal waarschijnlijk zelf het probleem 
kunnen oplossen. 

Ook is het mogelijk dat de storing optreedt 
door de al genoemde immuniteitspro- 


blemen. Hier kan de MARC-gebruiker of 
de zendamateur alleen iets aan doen met 
de medewerking van de bezitter van. het 
gestoorde toestel. 


Tot slot nog een tip: 

Als u een basisstation wilt opzetten neem 
dan een bak die als zodanig is ontworpen. 
De ontvangstkwaliteit van een mobiele set 
is in het algemeen nooit zo goed als die 
van een basisstation. Dit is een logisch 
gevolg van het feit dat de basisset in het 
algemeen op een betere antenne wordt 
aangesloten en de ontvanger beter moet 
worden uitgevoerd. De ontvanger is 
trouwens het enige gedeelte dat bij de 
diverse merken echt verschillend kan zijn; 
over de zender zijn we gauw uitgepraat: 
die levert een half watt en FM. 


P. Smulders. 





Hoe hoog moet de naalddruk van 
een pick-up zijn? 


De kwalitatief eenvoudiger pick-up- 
elementen (kristalelementen en kera- 
mische elementen) hebben een tamelijk 
hoge naalddruk nodig, zo tussen de 25 
mN en 50 mN (2,5... 5gram); betere 
HiFi-platenspelers daarentegen zijn 
voorzien van magnetische elementen. De 
aanbevolen naalddruk bij deze systemen 
ligt afhankelijk van het type tussen 7,5 mN 
en 30 mN (0,75 ... 3 gram). Daarbij le- 
veren hoogwaardige elementen natuurlijk 
alleen optimale resultaten samen met 
zeer goede armen, een opmerking die u 
misschien geld kan besparen als u over- 
weegt om het element in uw platenspeler 
om te ruilen voor een beter (duurder) ele- 
ment. 

Theoretisch is het natuurlijk duidelijk dat 
bij een kleinere naalddruk ook de dia- 
mantnaald en de grammofoonplaat 
minder aan slijtage onderhevig zijn. Men 
heeft echter vastgesteld dat de zaak er in 
de praktijk heel anders uitziet: het is ge- 
bleken dat een grammafoonplaat beter 
bestand is tegen een te hoge naalddruk 
dan tegen een te lage. Dus niet al te kies- 
keurig zijn met de naalddruk. Ze kan beter 
ingesteld worden in de nabijheid van de 
bovenste door de fabrikant aanbevolen 
grenswaarde. Bij het afspelen van platen 
men een min of meer geprononceerd aan- 
deel van hoge tonen en bij sterk gemodu- 
leerde passages waarbij als het ware het 
ene fortissimo volgt op het andere, be- 
staat het gevaar dat bij een te geringe 
naalddruk de diamant uit de groef ge- 
slingerd wordt of de groef slechts gedeel- 
telijk aftast. En dat komt noch de plaat, 
noch de diamant op den duur ten goede. 
Bovendien wordt een te lage naalddruk 
merkbaar door een toenemende ver- 
vorming. In het bijzonder wanneer een 
klein beetje stof al voldoende is om de 
naald praktisch uit de groeven te lichten. 





18 


Hobbit 


nu 
studeren 


Bij ons kan dit schriftelijk (S) en in eigen tempo. 

Ukuntopelk moment starten. Met aanvullende mondelinge 
begeleiding (S + M), 6 lesavonden of 4 leszaterdagen, is de 
studieduur 5 maanden (ca. 6 uur per week). Gestart wordt 
september en januari. Er is examen eind januari, eind juni 
en eind augustus. De diploma's worden mede ondertekend 
door een rijksgecommitteerde. Inschrijving via het inschrijf- 
formulier (zie punt 12 van de voorwaarden). 


Basis elektronicus bestaat uit BE-A en BE-BC en is be- 
doeld voor hen die een gedegen basiskennis van de elektro- 
nica en elektronische schakelingen wensen. Wordt ook 
veel gevolgd door hen die zijdelings met elektronica te 
maken hebben. MTS-ers E e.d. starten direct met BE-BC 
(analoge en digitale halfgeleidertechniek). 

Praktische digitale techniek (PDT) is een must voor elke 
aankomende elektronicus en werktuigbouwkundige. Een 
fijne cursus over digitale funktieblokjes. Vooropleiding: 
BE-A of kennis elektrotechniek. 
Microprocessors/microcomputers (MP/MC) voor elektro- 
nici en technici, die een gedegen kennis op dit nieuwe ge- 
bied, zowel hardware als software, wensen. 

Basic programming (BA) is voor hen, die personal com- 
puters willen programmeren. Ook ideaal uitgangspunt voor 
studie van andere programmeertalen.” 


Op het gebled van de elektronica hebben we verder de cursussen middel- 
baar elektronicus, TV-technicus, meet- en regeltechnicus, assembly pro- 
gramming en interfacing, en videotechniek. In onze studiegids “Automa- 
tiseringscursussen” vindt u informatie over onze NOVI-opleldingen 
(basiskennis informatica e.d.). Wilt u informatie bel dan (085-451641) of 
stuur de bon op (alleen de donkere delen Invullen). U kunt ook terecht bij 
uw personeelchef, als hij onze documentatiemap heeft. 





IJ 


CURSUS 


en _… — 








BASIS 
ANALE 


Condensatoren * Condensatoren en wisselspanning * Halfgeleiderdioden * 


Niet-sinusvormige spanningen * Elektrische trillingen * Filters 
Proeven: Thuis doen met standaardonderdelen. Ook door ons leverbaar 





J— nnen En 


| Transistoren * Toepassingen * 


BASIS 
ANAAL KD 


BE-BC 
5 maanden 


Oscillatoren * Zaagtandgeneratoren 
elementen 





ALES 
INN 
LÄN 


logica 


combinaties * 





Vaktermen en bijzondere schakelingen 
Proeven: Thuis doen met standaardblokjes. Ook door ons leverbaar 











+ de 


Wat is een computer? * 


Li ERTL 
MA LE 


MP/MC 
5 maanden 


regeling * Systeem software * Ontwikkelingsapparaten * 


tief (20% doet het). SDK leverbaar als bouwdoos 





Relatie mens-computer? * 
Sorteerprobleem * 


RLN 


el 








Mondelinge begeleiding: Arnhem, Utrecht 





u _ n _ mn n en dl 
Elektronische apparaten * Elektronentheorie * Wet van Ohm * Serie- en parallelschakeling * Vermo- Ss f 405— 
gen * Weerstandenschakelingen * Weerstanden * Sinusvormige wisselspanningen * Multimeter * of 5x f 90 
Bijzondere halfgeleider- S +M f 530 
dioden * RC-tijden * Elektromagnetisme * Zelfinductie * Transformatoren * Gelijkrichtschakelingen * of5x F 118,- 
Onderdelen- 
Mondelinge begeleiding: Arnhem. Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Groningen, Utrecht pakket f_40,- 
mmm mmm ! ed 
Instelmethoden * Opnemers en weergevers * Generatoren en volt- | S f 405, 
meters * Voorversterkers * Eindversterkers * Tegenkoppeling * DC-versterkers * 1,5 Watt versterker * of 5x f 90, 
Veldeffecttransistoren * Elektronenbuizen * Operationele versterkers * Gestabiliseerde voedingen * M 
* Poortschakelingen * Multivibratoren * Halfgeleiderschakel- S + f 530 
of 5x f 118,- 
Proeven: Thuis doen met standaardonderdelen. Ook door ons leverbaar | Onderdelen- 
Mondelinge begeleiding: Arnhem, Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Groningen, Utrecht pakket f_ 25 
s f 405, 
Binair rekenen * Logische schakelingen * Wetten van de Morgan * NEN-NOF-logica * Combinatie- | of 5x f_ 90, 
* Codes RS-flip-flop * T flip-flop * RS Master Slave flip-flop * JK Master Slave flip-flop * D B 
Master Slave flip-flop * Edgetriggered flip-flop * Schuifregisters * Tellers * Berekeningen aan poort- S+M f 530, 
of 5x f 118, 
Mondelinge begeleiding: Arnhem, Amsterdam, Rotterdam, Groningen, Utrecht, Eindhoven ai f 75- 
Wat is een microcomputer? * Hoe rekent een computer? * Schakelingen * Ss f 555. 
Centrale geheugen * Eenvoudig programmeren * Architektuur * Instructiebeschrijvingen * Syntax en of 5x f 125,- 
subroutines * Adresseringstechnieken * Stroomdiagrammen * Verkeersafhankelijke verkeerslichten- 
Randapparatuur * 1/O-interfacing | S+M f 715, 
Proeven: Programma's testen. Op instituut (2 dagen) of thuis met microcomputer SDK-85. Is facuita- | of 5x f 160, 
SDK-85 720, 
Mondelinge begeleiding: Arnhem, Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Groningen, Eindhoven of5x En 50 
ee na 
Wat is een computer? * Computertoepassingen * Probleembenadering * Ss f 405, 
Instructiebeschrijvingen (6 x) * Programmavoorbeelden (2 x) of 5x f 90, 
Proeven: programma's testen. Thuis met eigen computer of op instituut (2 dagen) S + M f 530 
of 5x f 118, 
_—_— 








65-HO-10Y2 





Ss ontvangen 


Voorwaarden: 


1 Als cursist word! besc 
gegene van 
ondertekend 














een ingevuld en 
aschrijftormuher 





ursist een bewijs van inschr 


2 De cursist verplicht zich bij be- 


RARE scasvrrseenendenseeer interen wen aad an SEERDE NeR nne 
Postcode: … …. seiner EE 5 
Piel vennen dnerattede asid denke dianaokes Ne Kasten 


Tl. Mul eevvrvssacoroernn nde TOUZOAKE oonnnnerernmanesere 
Ik schrijf in voor: Studiemethode: Begeleiding te 
vreden Os DOS + M ne 
Zend mi (OOK): ….-anssanosnesers onensesensesnen denon sie tvenensenesevaaeavenveen 
Betaling: DJ Ineens [In termijnen 


In gesloten envelop zonder 
postzegel zenden naar: 


ELEKTRONICA OPLEIDINGEN DIRKSEN 
ANTWOORDNUMMER 677 
6800 WC ARNHEM 


taling o maandelijkse termijnen 
het _ verschuldigde _ iesgeld 
steeds voor de Se van de maand 
te voldoen 

De cursist kan de opleiding in 


geval van blijvende ziekte be- 
eindigen Oit dient per aange- 





geïd wordt dan gerekt 





















onderwijs in 





welke 
verlijden wordt net 


susgeld ge- 8 
nabestaan 


18-12-1974 


Omcirkel no. A9 op de Infokaart. 


Elektronica 
opleidingen 
Dirksen 


Tel: 085-451641 of 
vanuit België: 00/31 85451641 


Wat betreft het schriftelijk onderwijs erkend 
door de minister van onderwijs en 
wetenschappen bij beschikking d.d 


kenmerk: BVO SFO 129.448 


Het lesmateriaal wordt eigen. 
van de cursist, indien het 
susgeld volledig betaald is 
ien het lesmateriaal binnen 
1 week na ontvangst aange. 
tekend retour word! gezonden 
vervalt de inschrijving Voor 
aaminustratiekosten kan u dan 
125. — in rekening worden ge- 
vracht 

















4 Bouwontwerp 


Reactietester 


Test nu zelf uw reactiesnelheid! 


Snel reageren, soms een kwestie van levensbelang. Vooral in het verkeer 
en bij sport kan het op een fractie van een seconde aankomen. Maar, hoe 
snel reageert een mens nu eigenlijk? Met deze reactietester kunnen we 


dat precies meten. 


Op de tester bevindt zich een lichtje 
(LED), dat enige tijd na het indrukken van 
de startknop plotseling gaat branden. 
Tegelijkertijd treedt dan een tweecijferige 
teller in werking. Het gaat er nu om, zodra 
de LED oplicht, de stopknop in te drukken. 
De teller stopt dan en laat op het display 
de tijd (reactietijd) zien, die verstreken is 
tussen het oplichten van de LED en het 
moment, dat we op de stopknop drukten. 
Gemiddeld bedraagt een goede reactie- 
tijd ca. O,2s; op het display lezen we dan 


‚20. 

Na een borreltje of wat merken we al, dat 
we minder vlot reageren; langere tijden, 
bijvoorbeeld 0,32 of 0,67 zijn dan geen 
uitzondering! Het maximum is 0,99, of wel 
bijna één seconde, maar dat is wel een 
verschrikkelijk slechte reactie. Bovendien 
wordt een dergelijk trage reactie direct 
gestraft door een ingebouwd zoemertje. 
Als we vals spelen, dan reageert het 
apparaat automatisch niet meer. We 
moeten dan weer opnieuw beginnen. 
Met een handjevol IC's en nog wat losse 
onderdelen zetten we de tester in elkaar. 
Ingebouwd in een leuk kastje, waarin 
tevens de platte 4,5 Volt-batterij past, ont- 
staat zo een handzaam en aantrekkelijk 
apparaat. Trouwens ideaal voor het ne- 
derlandse politiekorps: immers, zo’n reac- 
tietester is toch heel wat praktischer dan 
een blaaspijpje, of niet soms? 


Hoe werkt de reactietester? 

We beginnen met het bekijken van het 
blokschema in fig. 1. Wanneer de start- 
knop wordt ingedrukt, wordt de conden- 
sator C kortgesloten; de spanning over de 
condensator is dan-gelijk aan nul volt. Als 
we nu de startknop loslaten wordt con- 
densator C opgeladen via de weerstand 
R. Daardoor neemt de spanning U, over 
de condensator geleidelijk toe. Soms ver- 
loopt dat opladen snel, soms langzaam. 
Dat hangt af van de ‘randomgenerator’, 
die om de 2 seconden een andere oplaad- 
weerstand R inschakelt. 

Zodra de spanning U, ongeveer gelijk 
geworden is aan 2,2 volt, dan reageert de 
Schmitt-trigger ST hierop door een hoge 
uitgangsspanning af te geven. Dat is na- 
melijk een eigenschap van Schmitt-trig- 


gers: ongeacht hoe vreemd de ingang- 
spanning U, verloopt, de uitgang van de 
ST is hoog als U, groter wordt dan 2,2 volt 
en is laag (O volt) als U, kleiner wordt dan 
ca. 2 volt. 


Op het moment dat de uitgang van de ST 
hoog is, zal de LED oplichten en wordt de 
teller vrijgegeven of met een duur woord: 
‘enabled’ (enéébuld). Dat wil zeggen dat 
de teller pulsen gaat tellen. Deze pulsen 
(100 per seconde = 100 Hz) zijn afkom- 
stig van de klokgenerator. Telkens als er 
zo’n puls komt wordt de tellerstand met 
het cijfer 1 opgehoogd. Beginnend bij 00 
zal de tellerstand dus na 46 pulsen ‘46’ 
zijn. We kunnen dat ook in seconden 
lezen: per seconde levert de klokgenera- 
tor 100 pulsen, dus komt een tellerstand 
46 overeen met 0,46 seconden. Via een 
decoder verschijnt dan op het display ‘46’. 
Zodra we op de stopknop drukken stopt de 
teller. De tellerstand blijft staan en wordt 
nier meer opgehoogd. We lezen nu de 
reactietijd af. Dat is dus de tijd, gedurende 
welke de teller heeft geteld, namelijk van 
het oplichten van de LED tot het indrukken 
van de stoptoets. 

Heeft de tellerstand het getal 99 bereikt 


(0,99 sec.) en is de stopknop nog niet in- 
gedrukt, dan reageert het zoemercircuit. 
Een snerpend geluid straft de speler voor 
zijn slechte reactie. 


Het schema 

In afbeelding 2 zien we de condensator 
C1, welke wordt opgeladen door de weer- 
standen R12 - R22. Via IC5 (Random- 
generator) schakelt om de 2 seconden 
één van deze weerstanden in, zodat de 
oplaadtijd van de condensator steeds ver- 
andert: als een kleine weerstand aan de 
beurt is neemt de spanning U, over C1 
snel toe, is daarentegen een grotere 
weerstand (bijv. 1 MO) aan de beurt, dan 
neemt U, langzaam toe. Zodra U, = 2,2 
volt wordt de uitgang van de als Schmitt- 
trigger werkende inverterpoort (pin 5 en 6 
van IC6) laag en klapt de flip-flop (1/2 IC1) 
om. Diens uitgang (pin 3) wordt nu laag 
dus de LED zal branden en de teller (IC2) 
start. 

We zien, dat het moment van oplichten 
van de LED na het indrukken van de start- 
knop steeds anders zal zijn: soms gaat er 
maar een halve seconde overheen, soms 
duurt het langer dan 5 seconden. Doordat 
hierin de regelmaat ontbreekt, is de span- 
ning tijdens het werken met de reactie- 
er groot: wanneer zal de LED oplich- 
ten? 


Wordt de stopknop ingedrukt, dan keert 
de flip-flop in zijn oorspronkelijke positie 
terug: de LED dooft en de teller stopt. Op 
het display is nu detellerstand (reactietijd) 
afte lezen. De onderste inverters (pin 
8... 11 van IC6) vormen de 100 Hz-ge- 
nerator. 

Drukken we nu op de startknop, dan wordt 
de teller gereset en springt op 00. Tevens 
wordt C1 via T1 ontladen, zodat het op- 
laadproces opnieuw kan beginnen. 
Transistor T3 verzorgt het signaal voor 
een eventuele zoemer. Deze is hoorbaar 





20 


Hobbit 





Fig. 2. Het schema van de reactietester. 


vooral 


vookl| 


En 
zoemer 


klok- 


circuit 


Fig.3. Zózietde print lay-out van de reactie- 
tester er uit. 


als de teller de stand 99 heeft bereikt en 
dient als signalering dat er wel erg lang- 
zaam wordt gereageerd. De zoemer is 
weer af te schakelen door de flip-flop (pin 


8... 13) van IC1 met de startknop te 
resetten. 

Deteller is ondergebracht in IC2. Dit is een 
ze BCD-teller. De BCD-code is nog- 

al moeilijk leesbaar; vandaar, dat we de 
BCD-code moeten omzetten naar de de- 
cimale code. Dan kunnen we namelijk een 
tweecijferig display aansluiten. Zo'n om- 


R37 
100ke 


C4 17 470nF 


random - 
generator 





zetter, of decoder, is IC3 voor de tientallen 
en IC4 voor de eenheden. 

De reactietester is beveiligd tegen vals 
spelen: stel, we drukken de startknop in en 
op een willekeurig gegokt moment druk- 
ken we op de stopknop. De LED brandt 
nog niet eens. De flip-flop (pin 1 ... 6 van 
IC1) wordt daardoor geblokkeerd en zal 





Hobbit 








21 





Fig. 4. Deze tekening geeft duidelijk aan hoe 
de componenten geplaatst moeten worden. 
Let op de plaatsing van de IC's en de elco C1! 


nu niet kunnen reageren op een telstart- 
puls uit de Schmitt-trigger. Als de stop- 
knop weer wordt losgelaten, dan staat de 
flip-flop weliswaar weer scherp, maar om- 
dat de telstartpuls al geweest is, zal hij niet 
kunnen omklappen. De LED kan nu niet 
oplichten, terwijl de teller op 00 blijft staan. 
Vals spelen is dus uitgesloten! 

Pas nadat de startknop weer is ingedrukt 
kan men opnieuw een poging wagen. La- 
ten we nu eens kijken hoe we de reactie- 
tester in elkaar gaan zetten. 


Bouwaanwijzingen 

Om het nabouwen te vergemakkelijken 
hebben we voor de reactietester een print 
ontworpen. In fig. 3 zien we de lay-out 
getekend. Figuur 4 geeft aan, hoe de ver- 
schillende onderdelen op de print komen 
te zitten. Begin met de weerstanden en de 
dioden. De dioden D5 .. . D15 zijn niet ge- 


Fig. 5. Het bedradingsschema van de print. 


zoemer 


nummerd in fig. 4. Het symbool van de 
dioden wordt gevormd door een pijltje en 
een streep (kathode). Op de diode zelf 
wordt de katode aangeduid door middel 
van een dik verfringetje. Breng dan de 
draadbruggen aan; gebruik hiervoor afge- 
knipte draadjes van de weerstanden. 
Plaats nu de IC’s op de print: zorg er daar- 
bij voor dat de richting van deze IC's over- 
eenstemt met de getekende indicaties. 
Aan de kop van een IC heeft de fabrikant 
een putje of inkeping aangebracht om dit 
aan te geven. 


Soldeer de condensatoren in (let op de 
polariteit van elco C1) en breng de transis- 
toren aan. Zowel de IC's als de transisto- 
ren moeten vlot en goed gesoldeerd wor- 
den. Nu worden de soldeerlipjes en de 
LED gemonteerd: de kortste aansluit- 
draad van de LED (kathode) wordt in het 
LEDsymbool door het streepje aange- 
geven. 

Tot slot plaatsen we de displays: punt naar 
beneden. Als de punt moeilijk zichtbaar is, 
dan is de bovenzijde van de displays te 





herkennen aan verticale groeven in de be- 
huizing. Soldeer de displays vast, terwijl 
ze zo hoog mogelijk boven de andere 
componenten op de print uit steken. 

We vervolgen de bouw nu met het aan- 
sluiten van de schakelaars en dergelijke. 


Voor de duidelijkheid is deze bedrading 
getekend in fig. 5. Aan soldeerlip SL1 ver- 
bindt u met een draadje de minpool van de 
batterij. Gebruik hiervoor een platte 4,5 
volt-batterij. De pluspool van de batterij 
gaat naar de aan/uit schakelaar S. Dit kan 
een gewone schuifschakelaar zijn. Het 
andere schakelkontakt gaat naar soldeer- 
lip SL2. Tussen de lippen SL3 en SL4 
komt de startbouton te zitten. De ene aan- 
sluiting van de stopbouton wordt verbon- 
den met lip SL6, de andere met lip SL1. 
Aan lip SL5 kan een elektronisch zoemer- 
tje worden aangesloten. Een 9 V of 12 
V-zoemer werkt prima bij de gegeven 
voedingsspanning van 4,5 volt en heeft 
als voordeel, dat het stroomgebruik dan 
niet zo groot is. 

Verbindt de plus van de zoemer (rode 


Fig.6. Op deze manier worden de printen de 
overige onderdelen in de Prébox gemonteerd. 


batterij 4,5V 


achterplaat 


druk- 


rood transparant 
plexiglas 





REACTIETESTER 








Electrotechniek wordt 




























Inde wereld van vandaagen ge 
morgen wordt steeds meer 
kennis vereist. In de meeste 
gevallen heeft deze kennis 
grote raakvlakken met de 
natuurwetenschappen en de 
techniek of ligt zij daaraan ten 
grondslag. Technici, 
werkzaam op verschillend 
terrein, groeien uit elkaar en 
verliezen het verband tussen 
de verschillende technische ER 8 ed Ee 
specialismen uithetoog. | RR OD À hes A Per 
Waar specialisme hoogtij RE 1 Á KE 3 Ee En Rn 
viert, is een bron voor het snel bj am 
inwinnen van informatie over 
aanverwante of andere 
vakgebieden noodzakelijk. 
Die bron is er nu! De Winkler 
Prins Technische MB 5 | | ij 
Encyclopedie verschaft u op E has | _ fi LOO 
gemakkelijke wijze toegang | CR er 
tot vakgebieden waarin u niet 
bent gespecialiseerd. 


Rag 


Omcirkel no. A10 op de Infokaart. 


steeds gecompliceerder, 
Encyclopedie helpt u verder. 


Wat u weten moet over deze unieke encyclopedie 


Informatiebron voor 
technici en technisch 
geïnteresseerden 


Ì De Winkler Prins Technische Encyclopedie is 

‚_hetcomplete naslagwerk voor al diegenen die 

+ uithoofde van hun opleiding, studie en beroep 
behoefte hebben aan snel te vinden informa- 
tie over elk vakgebied binnen de techniek. 

Daarin neemt de electrotechniek natuur- 

lijk een belangrijke plaats in. 

Daarnaast verschaft deze encyclopedie goed 
toegankelijke informatie aan 
niet-technici die geïnteres- 
seerd zijn in de techniek 
en haar ontwikkeling. 



















e 6 delen 

e Formaat 
28x21,5 cm 

e 400 blz. per deel, 
2400 blz. totaal 

e Register met bijna 
1000 ingangen 

e Luxe banden van 
donkerblauw 

kunstleer, met 

stijlvol stofomslag. 








@De Winkler Prins Technische En- 


cyclopedie werd samengesteld met 
medewerking van meer dan 500 
deskundigen uitNederlanden België 
en verder o.a. de Verenigde Staten 
van Amerika, Groot-Brittannië. 
Duitsland, Frankrijk en Italië. 


® De encyclopedie bevat als belang- 


rijkste bestanddeel duizenden alfa- 
betisch gerangschikte trefwoorden 
die elk gevolgd worden door een ver- 
klarende, veelal geïllustreerde tekst 
van uiteenlopende omvang. Deze 
trefwoorden bestrijken het gehele 
gebied van de techniek en haar ba- 
siswetenschappen. en tevens van 
de maatschappijwetenschappen 
waarmee de technicus geregeld in 
aanraking komt. 


® Waar nodig wordt van een trefwoord 


de vertaling in het Frans, Duits en 
Engels gegeven. 


® Behalve de duizenden trefwoorden 


die ‘eindinformatie’ geven. bevat de- 
ze encyclopedie honderden uitvoe- 
rige overzichtsartikelen, elk han- 
delend over een afgeronde pro- 
blematiek of over een (sub)discipline 
als geheel. Zij laten zien hoe deze 
functioneren in de maatschappij van 
nu en. waar mogelijk, hoe de toe- 
komstige ontwikkelingen zullen zijn. 
Zij tonen in vogelvlucht het verband 
binnen en buiten de respectieve 
vakgebieden. 


en lacunes in de kennis van 
aa gebuiken kunnen worden opge- 
vuld door het lezen van de reper- 
toriaal behandelde basisweten- 
schappen. zoals wiskunde, me- 
chanica, fysica, chemie. biologie. Op 
analoge wijze worden fundamentele 
onderwerpen uit andere disciplines 
behandeld (arbeidsrecht, economie. 
bedrijfsfinanciering. ergonomie 
enz.). voor zover deze voor u de 
technicus van belang kunnen zijn. 


@®De illustrering van de artikelen is 
functioneel: afbeeldingen (ruim 
3000) worden alleen gegeven waar 
zij de teksten verduidelijken of aan- 
vullen. Een twaalftal overzichts- 
afbeeldingen is op uitklapbare bla- 
den geplaatst. 


® Voorschriften en aanbevelingen van 
o.a. het Nederlands Normalisatie- 
instituut (NNI) en het Bel An Insti- 
tuut voor Normalisatie ( ) zijn in 
acht genomen. Zo sat mOo- 
gelijk is gebruik gemaakt van het in- 
ages stelsel van eenheden 
(SI). 


®Literatuuropgaven zijn achter in elk 
deel geplaatst. 


@®Een alfabetisch register achter in 
deel 6 (enkele duizenden register- 
ingangen ontsluiten een twintig- 
duizendtal plaatsen in de encyclo- 
pedie) maakt het mogelijk elk begrip 
uit het gehele werk snel te vinden. 


Bestel nu. Doe de bon vandaag op de post. 


BON 


6-delige 


0 via boekhandel 
te 


Ondergetekende bestelt hierbij de 


Winkler Prins Technische Encyclopedie 





0 rechtstreeks 


Ik betaal als volgt: 0 Ineens f 


Naam 
Adres 
Postcode/Plaats 


Datum 


Handtekening 


Stuur deze bon in open envelop zonder postzegel naar 
Elsevier, Antwoordnummer 1248, 1000 SN Amsterdam. 
Als u het blad niet wilt beschadigen, kunt u ook gebruik maken van een briefkaart. 


651 - totaal 


CJ In abonnement van 12 maanden achtereen 
f 57 - per maand (totaal f 684 -) 

CJ In abonnement van 24 maanden achtereen 
f 30- per maand (totaal f 720 -) 


H-80=2 


Nn 


5. (slot) Effectieve spanningsbewaker 


De vijfdelige serie over een centrale, die is bedoeld voor het signaleren 
van inbraak, wordt met dit artikel afgesloten. 

De complete centrale (CCS) is al in de vorige delen besproken. Belangrijk 
is nu alleen nog een bewakingsschakeling voor de voedingspanning. 
Hoewel een dergelijke bewaker in de eerste plaats belangrijk is bij de 
CCS, zijn er ook wel veel andere toepassingen denkbaar. Al was het alleen 
maar om de accuspanning van de auto te bewaken! 


Hoewel onze CCS niet volgens de 
strengste normen is ontwikkeld, zal deze 
in verreweg de meest voorkomende prak- 
tijksituaties uitstekend voldoen. 

Daarbij hebben we dan ook de meeste 
eisen, die door TBBS worden gesteld, in 
de CCS verwerkt. 

Uiteraard zal de kwaliteit van de CCS voor 
een groot gedeelte afhangen van de ge- 
bruikte componenten en de montagewij- 
ze. Bovendien zal vooral in een later stadi- 
um ruim de tijd moeten worden genomen 
voor het installeren van de verschillende 
kabels naar lichtnet, extern slot en alarm- 
opnemers. 

Als er bewegingsmelders worden toege- 
past moeten deze op zorgvuldig gekozen 
plaatsen worden geïnstalleerd. Meestal 
trekken de moderne bewegingsmelders 
(zoals passief infrarood) zo weinig stroom, 
dat deze gemakkelijk vanuit de CCS kun- 
nen worden gevoed en dat is ook de be- 
doeling. 

Worden er ook deur-, raam- en/of trilcon- 
tacten gebruikt, dan moeten ook deze 
nauwkeurig worden geïnstalleerd. Vooral 
de bekabeling van deze kleine contacten 
verdient grote aandacht. Veel valse a- 
larmmeldingen zijn te wijten aan een non- 
chalante montage, waarbij vroeg of laat 
breuken optreden. 


Het is verder van het grootste belang dat u 
van tijd tot tijd de inbraakinstallatie test. 
Zoiets mag beslist wel 1x per 14 dagen 
gebeuren. 

Het controleren van de noodstroomvoor- 
ziening vanuit de accu mag zelfs wel elke 
week gebeuren. Daarbij is het vooral be- 
langrijk dat de accuspanning wordt nage- 
meten. U kunt dit natuurlijk doen met een 
spanningsmeter, maar in de praktijk is dat 
vrij omslachtig. 

Gemakkelijker is het de hier beschreven 
spanningsbewaker te bouwen. Deze geeft 
met een LED aan of de accuspanning wel 
boven een bepaald minimum ligt. De 
maximale spanning wordt niet gecontro- 
leerd, omdat dit in de praktijk meestal 
geen zin heeft. Immers, de IC-voeding 
voorkomt het laden van de accu boven 15 
V, zodat de voedingstroom zichzelf be- 
grenst. De minimale spanning is veel be- 
langrijker omdat de alarminstallatie bijeen 
te lage accuspanning niet alleen niet 

tel maar de accu tevens wordt ver- 
nield. 


De hier beschreven spanningsbewaker 
kan natuurlijk niet aangeven of de accu- 
spanning op een extreem minimum is ge- 
komen. In dat geval zou een extra voeding 
voor de spanningsbewaker noodzakelijk 
zijn. 


In de praktijk zal de bewaker aktief worden 
onder ca 11 V en blijven aanwijzen tot 
spanningen van ca 6 V. Onder deze 6 V is 
een eenvoudige controle mogelijk, omdat 
in dat geval de complete alarminstallatie 
beslist niet meer werkt. 


Figuur 1 geeft het blokschema van de toe- 
gepaste spanningsbewaker. Hierbij wordt 
het hart gevormd door de compara- 

tor (blok B). Deze comparator doet eigen- 
lijk niets anders twee verschillende span- 
ningen met elkaar vergelijken. In ons ge- 
val zijn dat een referentiespanning en die 
van de accu. Is de ene spanning hoger 
dan de andere dan geeft de comparator 
een gelijkspanningsniveau af. De werking 
is zo simpel dat het woord ‘comparator’ 
een beetje duur aandoet. 


Het ligt voor de hand dat de comparator 
een referentiespanning moet krijgen aan- 
geboden. Immers, er zal een vergelij- 
kingsbron moeten zijn. 

In fig. 1 stelt +Ub de accuspanning voor, 
die in ons geval gelijk is aan de gehele 
CCS-voedingspanning. 

Wordt deze laatste spanning lager dan ca 
11 V dan wordt de uitgang van de compa- 
rator positief en stuurt een schakeltrap 
aan. Op zijn beurt geeft de schakeltrap 
een spanning aan de indicator. In ons ge- 
val is dit een LED. Uiteraard kunnen ook 
andere indicatoren worden toegepast. In 
de handel zijn mooie piepers en zoemers, 
die werken op 5 of 6 V. Met een serieweer- 
stand van ca 100 0 kunnen dergelijke a- 
koestische indicatoren worden toegepast 
bij de spanningsbewaker. De schakeltrap 
is daarop berekend. 


Voor de comparator wordt een OpAmp 
gebruikt, waarvan fig. 2 het schema geeft. 
Een OpAmp is een versterker met twee 
ingangen en (meestal) een enkele uit- 
gang. Als een OpAmp niet wordt tegenge- 
koppeld heeft deze over het algemeen 
een gigantische versterkingsfaktor, die 
ons mooi van pas komt. 

Voor gebruik van de OpAmp als compa- 
rator maken we gebruik van beide ingan- 
gen. De referentiespanning zetten we op 


Fig. 1. Het blokschema van de spanningsbe- 
waker laat zien dat het hart van de schakeling 
wordt gevormd door een comparator, die ver- 
schillende spanningen vergelijkt. 


Fig. 2. Als comparator wordt een gewone 
operationele versterker in IC-vorm gebruikt. 
De ingangen meten het niveau van twee ver- 
schillende spanningen. 


+Ub 
O 


referentie- 
spanning 


comparator schakeltrap indicator 





4 Bouwontwerp 


ingang B en de accuspanning op ingang 
A. Om praktische redenen wordt de accu- 
spanning niet rechtstreeks aangeboden, 
maar via een weerstandsdeling. Voor het 
principe maakt dat niets uit. 

Nu is de werking van de OpAmp uit fig. 2 
zo dat, als punt B positiever is dan A, de 
uitgang (C) ook sterk positief wordt. B is 
namelijk een ingang die niet inverteert. Dit 
houdt in dat C dezelfde fase heeft als B. Is 
B positiever dan A dan wordt C ook posi- 
tiever. C wordt zelfs sterk positiever van- 
wege de grote versterkingsfaktor van de 
OpAmp. 


Het voorgaande houdt ook in dat, als A 
positiever is dan B, uitgang C op nul ligt. 
Een gering spanningsverschiltussen Aen 
B, waarbij A hoger ligt, zal door IC 1 wor- 
den versterkt en op uitgang C worden 
aangeboden. In de praktijk is het allemaal 
niet zo ideaal. C wordt nooit helemaal nul 
maar blijft rond 2 V hangen. 


Uit het voorgaande volgt dat we een pro- 
bleem hebben: als C uit fig. 2 nul moet zijn 
is deze meestal minimaal 2 V. We kunnen 
dus C niet direct laten volgen door een 
transistor, omdat deze dan reeds aange- 
stuurd wordt. De oplossing geeft fig. 3. 
Op punt X wordt C uit fig. 2 aangesloten. 
Als X 2 V is zal zenerdiode D4 blijven 
sperren, omdat deze diode een zener- 
spanning heeft die hoger is dan de ge- 
noemde 2 V. Wordt punt X echter sterk 
positief dan zal D4 gaan geleiden en tran- 
sistor T1 in verzadiging sturen. Dit laatste 
houdt in dat de collector van T1 vrijwel op 
nul komt te liggen als de accuspanning te 
laag wordt. 

Op de collector van T1 kunnen we ver- 
schillende indicatoren aansluiten. D6 is 
als voorbeeld geplaatst, waarbij R5 de 
stroom begrensd. D6 zal licht geven als de 
accuspanning te laag is. 


Eventueel kan tussen +Ub en Y ook een 
relais (6 V-spoel) worden aangesloten. In 
dat geval is diode D5 noodzakelijk. Voor 


Fig. 3. De schakeltrap van de spanningsbe- 
waker is universeel van opzet. Eventueel kan 
een relais met eigen batterij en signaalhoorn 
worden aangesloten. In dat geval wordt de (6 
V) relaisspoel tussen punt +Ub en Y geplaatst. 
Diode D5 beschermt dan T1 tegen inductieve 
pulsen. 


Hobbit 


andere aansluitingen is D5 overbodig. 
Genoemd relais zou bijvoorbeeld via de 
contacten op afstand een ander alarm 
kunnen sturen. In dat geval kan via een 
batterij, die elk jaar wordt verwisseld, een 
luide signaalgever worden aangestuurd. 
Hiertoe wordt eenvoudig, in serie met het 
maakcontact van het relais, de batterij- 
spanning aangesloten. Aan de andere zij- 
de van het maakcontact komt dan een 
aansluitdraad van de signaalgever, terwijl 
de nul van deze laatste wordt doorverbon- 
den met de nul van de batterij. 

Ook 6 V-zoemers, die kunnen werken op 
gelijkspanning, kunnnen op de uitgang 
van de spanningsbewaker worden aange- 
sloten. Deze worden ook tussen +Ub en 
punt Y aangesloten. 

Afhankelijk van de soort indicator kan R5 
worden gekozen. Als deze weerstand 
moeilijk is te berekenen, kan deze wel ex- 
perimenteel worden vastgesteld. 


Figuur 4 geeft het complete schema van 
de spanningsbewaker. 
Zenerdiode D1 verzorgt de referentie- 
spanning. Via voorschakelweerstand R1 
krijgt deze zijn stroom. De referentiespan- 
ning van D1 wordt direct op de ingang van 
IC1 gezet. De accuspanning wordt aan de 
andere ingang van IC1 aangeboden, via 
weerstandsdeling R2/R3. 
De uitgang van IC1 wordt gevolgd door de 
On die reeds bij fig. 3 is bespro- 
en. 


Figuur 5 geeft de lay-out van de print 
waarop de schakeling volgens fig. 4 kan 
worden bevestigd. 

De componentenopstelling is gegeven in 
fig. 6. Hoewel de print klein is van afme- 
tingen kunnen de componenten gemak- 
kelijk worden geplaatst. IC1 kan het beste 
worden geplaatst op een voetje. Let goed 
op de aansluitrichting van dit IC: punt 1 zit 
links boven. 

Transistor T1 kan niet vlak tegen de print 
worden gemonteerd, maar moet enige 





Fig 5. De lay-out voor de print waarop de 
schakeling volgens fig. 4 kan worden gemon- 
teerd. De afbeelding is gezien vanaf de sol- 
deerzijde en de schaal is 1:1. 


millimeters boven de oppervlakte uit- 
steken. 

Als gebruik wordt gemaakt van een op- 
tische spanningsbewaking kan op de print 
eventueel de LED (D6) worden aange- 
B In dat geval wordt weerstand R5 
1kû 


Let bij de montage van de componenten 
goed op de aansluitrichting van de dioden. 
De twee dioden links van IC1 zijn ‘anti-pa- 
rallel’ geschakeld. Beide zenerdioden (D1 
en D4) zijn met de kathodezijde naar bo- 
ven gericht. 

Afbeelding 7 geeft een indruk van de 
compleet gemonteerde print. Ter verdui- 
delijking is hier de optische indicator aan- 
gebracht. Ook diode D5 is op de print aan- 
wezig, hoewel deze alleen maar nut heeft 
als extern een relais (spoel) wordt aange- 
sloten. 

Om het bekabelen te vergemakkelijken 
zijn op de externe aansluitpunten print- 
pennen geplaatst. 


Fig. 4. Het complete schakelschema van de 
spanningsbewaker is erg eenvoudig. Diode 
D1 verzorgt de referentiespanning die aan 
punt 3 van IC1 wordt aangeboden. 





Fig. 6. De componentenopstelling van de 
schakeling volgens fig. 4op de print van fig. 5. 


Fig. 9. Als LED D6 extern wordt aangebracht 
kunnen de aansluitdraden worden verbonden 
met punt 38 (kathode) en 39 (anode). 











Componentenlijst bij fig. 4en6. 


weerstanden: 
R1=1,5kQ0. 
R2=5,6k0 (zie tekst) 
R3=10Kk0. 

R4=1k0. 

R5=1KQ (zie tekst). 





halfgeleiders: 
IC1=uA741, 8-pens ‘dual in line’. 
T1=BC140, BC141. 


D1 =zenerdiode, 5, 6 V/250 . . 400 mW. 
D2, D3=1N914, IN4148. 
D4=zenerdiode, 4, 7 V/250 . . 400 mW. 
D5=1N914, IN4148 (zie tekst). 
D6=LED, 5 mm, rood (zie tekst). 


overige componenten: 

1 printje HB-8 

1 IC-voetje, 8-pens ‘dual in line’. 
4 printpennen, 1 mm rond. 





Fig. 8. Voor het aansluiten van de spannings- 
bewaker zijn, als de interne optische indicator 
wordt gebruikt, slechts twee aansluitdraden 
noodzakelijk. 





“peeyojuj ep do | | y ‘ou jox1loWO 


PN Buto-elektroniea 


Personenauto met 
hybride aan- 


drijving 


De Amerikaanse General Electric Company heeft bekendgemaakt dat zij 
samen met enkele andere ondernemingen op het gebied van onder meer de 
automobieltechniek twee geavanceerde auto’s met ‘hybride’ aandrijving 


zal gaan bouwen. 


Deze experimentele voertuigen worden voorzien van een benzineverbran- 
dingsmotor en van een elektromotor. De auto’s kunnen worden aange- 
dreven door één van beide motoren of — als dat nodig is — door beide 


motoren tegelijkertijd. 


Het General Electric researchcentrum is 
hoofdaannemer van dit project in opdracht 
van het Amerikaanse Ministerie voor Ener- 
giezaken (DOE). Doel van het project, dat 
een looptijd van 30 maanden heeft en 
waarvoor 16 miljoen gulden is uitgetrok- 
ken, is het contrueren van twee vierdeurs 
sedans voor vijf volwassenen. De keuze 
van het GE-researchcentrum als hoofd- 
aannemer voor het bouwen van de beide 
hybride voertuigen volgde op een vele 








5 


30 


loati 


At 
Ede ila/ 





jaren vergende voorstudie, die GE en drie 
andere ondernemingen in competitie uit- 
voerden. 


Verlaging bezineverbruik 

Volgens dr. Roland W. Schmitt, GE's vice- 
president voor onderzoek en ontwikkeling, 
is het dubbele tractiesysteem van de hy- 
bride auto een veelbelovende benadering 
om ook in de potentieel brandstofschaarse 
jaren die voor ons liggen, te kunnen blijven 


Nieuw. 30 tot 20.000 Hz 














voldoen aan de verplaatsingsbehoeften. 
De hybride auto zal bijvoorbeeld naar ver- 
wachting 40 tot 55 procent minder benzine 
verbruiken dan een overeenkomstige 
Amerikaanse auto, die per jaar ongeveer 
17.500 kilometer rijdt. 

De gemiddelde Amerikaanse automobilist 
zal met zijn hybride auto zo min mogelijk 
naar een benzinestation hoeven en maxi- 
maal gebruik kunnen maken van (groten- 
deels door de auto zelf opgewekte) elek- 
trische energie. 

De belangrijkste voordelen zijn het lagere 
benzineverbruik in vergelijking met ge- 
wone auto’s en het aanzienlijk grotere be- 
reik vergeleken met puur elektrisch aange- 
dreven voertuigen. 

Het voertuig dat GE voor dit project koos is 
een grote vierdeurs sedan. De verbran- 
dingsmotor en de elektromotor worden 
dwars voorin de auto gebouwd en drijven 
via een automatische transmissie met drie 
versnellingen de voorwielen aan. De com- 
plete tractie-installatie — inclusief de ac- 
cu's — krijgt een plaats vóór de kooicon- 
structie. De vorm van de carosserie zal in 
aerdynamisch opzicht opnieuw worden 
ontworpen. 

De 30 kW sterke elektromotor en de 60 kW 
sterke benzinemotor zullen zowel afzon- 
derlijk als parallel kunnen werken. De elek- 
tromotor wordt met name gebruikt voor 


TTT 


Made 1n Belgum 





A Auto-elektronica, 


snelheden van 0 tot 50 km/h en de ben- 
zinemotor voornamelijk voor het rijden op 
autowegen. In situaties waar zowel de 
elektromotor als de benzinemotor nodig 
zijn, zoals bij het inhalen, zal de belasting 
automatisch — met behulp van een micro- 
computer-besturing — over de beide mo- 
toren worden verdeeld. 


Specificaties 

De tien accu's zullen samen bijna 350 kg 
wegen. Ze zullen naar verwachting onge- 
veer 800 keer kunnen worden herladen 
door recuperatief remmen, als de auto door 
de benzinemotor wordt aangedreven 
(waarbij de elektromotor als generator fun- 
geert), of op het lichtnet, waarbij de elek- 
tronische tractieschakeling als acculader 
wordt geschakeld. 

Het rijklaar gewicht van de wagen zal naar 
verwachting ongeveer 1800 kg bedragen. 
Hoewel de nieuwe hybride auto ruim 350 
kg méér weegt dan in conventionele uit- 
voering het geval zou zijn, zal het dubbele 
aandrijfsysteem vijf procent mindere ener- 
gie verbruiken. 

Technici van General Electric verwachten 
dat de experimentele hybride auto in 12 
seconden vanuit stilstand een snelheid van 
80 km/h kan halen. Qua uiterlijk, rijgedrag 
en prestaties zal de wagen overeenkomen 
met conventioneel aangedreven auto's die 


in het midden van de jaren tachtig op de 
markt komen. Bij het ontwerp wordt 
rekening gehouden met massaproduktie 
voor een prijs van rond 15.000 gulden op 
basis van het prijspeil van 1978. 


Onderaannemers 

Belangrijke onderaannemers bij de con- 
structie van dit hybride voertuig zijn de 
onderzoekafdeling van de Volkswagenfa- 
brieken in Duitsland, die de speciaal aan- 


gepaste benzinemotor zal ontwerpen en 
bouwen; in de Verenigde Staten zijn dat 
Globe-Union die de geavanceerde 12 V 
loodaccu's zal ontwikkelen voor het voe- 
den van de elektromotor, en Triad Services 
die het chassis en de carrosserie van de 
auto zal ontwerpen en bouwen. 

Daihatsu Motor Co., een toonaangevende 
fabrikant van accu-wagens in Japan, fu- 
geert als projectadviseur. 


Dit is een model van een experimentele auto met een gecombineerde benzinemotor/elektromotor- 
aandrijving, die het General Electric researchcentrum in de Verenigde Staten gaat ontwikkelen in 
opdracht van het Amerikaanse Ministerie voor Energiezaken. 


AUTO MET “”HYBRIDE"-AANDRIJVING 


ACCU'S VOOR VOEDING 
VAN DE ELEKTROMOTOR 


VERWARMINGSINSTALLATIE 


60 kW, 4 CILINDER 
BENZINE-VERBRANDINGSMOTOR 


— BENZINETANK 


30 kW ELEKTROMOTOR/ 


GENERATOR 








op Philips ME TAL -cassette. 


In 1963 introduceert Philips de 
compact-cassette. De wereld is laaiend 
enthousiast. Nu kan iedereen overal 


muziek opnemen, meenemen en afspelen. 


Toch blijft top-HiFi-geluid op 
compact-cassettes nog toekomstmuziek. 
Maar nu, met de komst van de Philips 
Metal-cassette, is de doorbraak van 
cassette-top-weergave een feit. 

De nieuwe Philips Metal-cassette 
overschrijdt, in combinatie met de juiste 
apparatuur, alle gevestigde normen. 

Hij haalt een frequentiebereik van 30 Hz 
tot 20.000 Hz. 

De signaal/ruisverhouding haalt 


62 dB (bij 10 KHz met Dolby in). Als HiFi- 


liefhebber hoeven we u na deze cijfers 
eigenlijk niet veel meer te vertellen. 

Maar wie nog meer wil weten, leze rustig 
verder. 


OUTPUT dB 


Het principe van de Metal-tape is 
zuiver ijzerpoeder met een hoge 
magnetische uitstuurbaarheid. Voor de 
liefhebbers noteren we hierbij, dat de 
coërcitiefkracht bij de Metal-tape 
950-1000 Oersted bedraagt, terwijl dit bij 
de chroom- en ijzerdioxydebanden op 
resp. 500 en 350 Oersted ligt. 

Het grafiekje hieronder leert dat 
tussen 10 en 20.000 Hz het Maximum 
Output Level (MOL) van 7 tot 10 dB 
beter is dan dat van de beste chroom- 
cassettes. 















50 100 315 1000 3150 10K _20K 
FREQUENCY Hz 


Een ander kenmerk van de Philips 
Metal-cassette is de nieuwe behuizing. 

Doordat alle bandgeleidende 
onderdelen op één basis zijn aangebracht, 
is de bandsporing en bandgeleiding langs 
de koppen perfect. De jengel is op die 
manier tot een absoluut minimum terug- 
gebracht. 

Metal-cassette opnamen vragen om 
aangepaste apparatuur, die een hogere 
biasstroom levert en een hogere signaal- 
stroom door de kop laat gaan. 

Onnodig te zeggen dat u voor een 
range van deze, op Metal-cassette aan- 
gepaste, cassettedecks bij Philips terecht- 
kunt. 


Philips cassettes. 
Klinkklaar muziekplezier. 


PHILIPS 


31 


HEIEN 
Donder en bliksem 


Het verschijnsel ‘bliksem’ houdt de mensen al eeuwenlang bezig. Dacht 
men eerst dat donder en bliksem te maken hadden met het humeur van 
Zeus, Jupiter of Donar, tegenwoordig tracht men het beangstigende 
verschijnsel op een wetenschappelijk verantwoorde manier te verklaren. 
Onlangs is een boekje verschenen van Ir. H. Aaftink en uitgegeven door 
Winterthur Verzekeringen, waarin op bijna alle vragen die men zich zou 
kunnen stellen met betrekking tot bliksem een verklarend antwoord wordt 


gegeven. 


In dit artikeltje willen wij kort het verschijnsel bliksem bespreken, voor 
meer informatie verwijzen we naar het bovengenoemde boekje. 


Hoe ontstaat bliksem? 

De theorie dat bliksem ontstaat doordat de 
wolken dicht langs elkaar schuiven is al- 
lang achterhaald. Benjamin Franklin be- 
wees in 1752 dat bliksem een elektrische 
ontlading is. Deze ontlading ontstaat 
tussen een elektrisch geladen wolk en de 
aarde, tussen 2 of meer wolken met tegen- 
gestelde polariteit of zelfs tussen twee 
delen binnen dezelfde wolk, die ook beiden 
een tegengestelde polariteit hebben. 

Een relatief klein deel van de elektrische 
ontladingen vindt plaats tussen het wol- 
kendek en de aarde. Het feit dan onweer 
vaak voorkomt na een warme zomerdag 
kan worden verklaard doordat de wolken 
een elektrische lading verkrijgen door het 
opstijgen van de vochtige, warme lucht. Op 
een hoogte van 3... 10 km bestaan er 
zowel onderkoelde waterdruppels als fijne 
ijskristallen. Tijdens het vallen van grotere 
ijswaterdeeltjes, beter bekend onder de 
naam hagelstenen, worden kleine onder- 
koelde waterdruppels gevangen. Deze 
vriezen vast op de hagelsteen, waarbij zich 
ijssplinters afscheiden die elektrisch posi- 
tief geladen zijn. Als de elektrische lading 
boven de aarde is toegenomen tot boven 
een bepaalde sterkte, treedt er een gehele 
of gedeeltelijke ontlading op door middel 
van de bliksemflits. Onweer kan ook ont- 
staan bij het binnendringen van een koude- 
front in een warmere luchtmassa. 


De bliksemstraal 

Op het eerste gezicht lijkt het of bij bliksem- 
inslag de bliksemstraal van boven naar 
beneden gaat en op het aardoppervlak in- 
slaat. Dit is echter in de meeste gevallen 
niet zo. 

Voordat de bliksem zichtbaar is heeft er 
een vóórontlading plaatsgehad tussen het 
wolkendek en de aarde. Hierbij gaat de 
bliksemstraal dus naar de aarde toe. 
Daarna zien we een bliksemstraal die van 
beneden naar boven gaat. We zouden dus 
kunnen stellen dat de bliksem naar be- 


neden én naar boven gaat! De hitte van de 
bliksemstraal gaat het menselijk voorstel- 
lingsvermogen ver te boven. De tot nu toe 
hoogst gemeten temperatuur gedurende 1 
us is ongeveer 4 maal de hitte van het 
oppervlak van de zon, dit is ca. 30 000°C. 
De afmetingen van de bliksemstraal zijn 
natuurlijk erg moeilijk te bepalen. Er zijn 
echter gegevens bekend dat de gemiddel- 
de verticale bliksemstraal 5 .. . 6,5 km lang 
is. Bij horizontale bliksemstralen is dit ge- 
middelde zelfs nog langer 8 . . . 16km! Met 
behulp van radar zijn zelfs bliksemstralen 
van 140 km lengte waargenomen. Er 


Afb. 2. Blikseminslag in Lugano, Zwitserland. 









































Afb. 1. Hier wordt de Tokyo Tower door blik- 
seminslag getroffen. De foto werd genomen 
van uit een appartement naast de toren. 








32 


Hobbit 


komen echter ook bliksemstralen in het 
wolkendek voor van slechts enkele meters. 
De doorsnede van een bliksemstraal is 
over het algemeen enkele centimeters. 
Even een stapje opzij doen bij het zien van 
een bliksemstraal is er niet bij. Een blik- 
semstraal gaat in één seconde ongeveer 
anderhalf maal om de aarde heen! De snel- 
heid bedraagt 10... 30 % van de 
lichtsnelheid. 


De nu volgende getallen zijn voor ons, 
elektronici, onvoorstelbaar groot. Wist u 
dat de gemiddelde stroomsterkte van een 
bliksemstraal 100 . . . 60 000 ampère be- 
draagt? Dit tijdens een duur, die varieert 
van één seconde tot éénduizendste se- 
conde. Er zijn zelfs stroomsterktes van 
200000 ampère gemeten, bij een tijdsduur 
minder dan éénduizendste seconde. 

De spanning tussen het wolkendek en het 
ontladingspunt kan oplopen tot 100 mega- 
volt. (Dit is honderd miljoen volt!) En wij 
maar werken met een 4,5 volt batterijtje .… 
De schade die een inslaande bliksemstraal 
kan veroorzaken loopt uiteen van nul 
komma nultot niette overzien. Bliksem kan 
brand of explosies veroorzaken. Dit is als 
volgt te verklaren: Tijdens een kortstondige 
stroomstoot van 5 000... 200 000 
ampère loopt de temperatuur op tot onge- 
kende waarden. Deze korte bliksemflitsen 
doen in de omgeving een luchtdruk ont- 
staan die kan oplopen tot ca. 100 maal de 
atmosferische druk. 

Als deze bliksemstraal een voorwerp treft 
zal hieraan schade ontstaan alsof het voor- 
werp ontploft is. Dit in tegenstelling tot een 
‘langdurige’ bliksemstraal. Hierbij ontstaat 
een stroomstoot van ca. 100... 300 





Afb. 3. Een enorme bliksemschicht treft hier het 
gebouw van de Seattle- First National Bank in 
Washington. 


ampêre die langer duurt: enige tienden van 
seconden. Deze bliksemstraal zal bij inslag 
in een enigzins brandbaar voorwerp on- 
middelijk brand veroorzaken. (bijv. een 
rieten dak o.i.d). Deze laatsgenoemde 
bliksem veroorzaakt meestal de dood bij 
een hierdoor getroffen persoon. 


Donder 
De bliksemflitsen alleen zijn al griezelig, het 


Afb. 4. Deze spectaculaire opname werd gemaakt tijdens een hevige onweersbui in Tamps, 
Florida. De bliksemstraal lijkt hier de brug te treffen, maar hij sloeg enkele meters ernaast in. 





geheel wordt nog onheilspellender als ook 
de donder met daverende klappen hoor- 
baar is. 

Het geluid van de donder ontstaat door de 
plotselinge drukgolf die optreedt tijdens de 
extreem hoge temperatuur van de bliksem- 
flits. De lucht zet zich door de snelle 
temperatuurstijging in de bliksemstraal 
zéér snel uit. Deze uitzetting plant zich als 
een drukgolf voort, die wij als geluid her- 
kennen. 

Zoals bekend plant het geluid zich voort 
met een snelheid van zo’n 300 m per se- 
conde. Dit verklaart waarom wij éérst de 
flits zien en daarna de donder pas horen. 
De ontlading verloopt namelijk met een 
snelheid van 100 000 km per seconde. Het 
tijdsverschil tussen het waarnemen van de 
bliksemflits en het waarnemen van de 
donder is een maatstaf voor de afstand die 
het onweer nog van ons verwijderd is. Een 
vuistregeltje waarmee we kunnen bepalen 
hoever het onweer nog verwijderd is, is het 
volgende: elke drie seconden tussen de 
bliksemflits en de donder betekend ca. 1 
km afstand. De donder heeft geen specifiek 
geluid. Soms is het als een langdurig ge- 
rommel te horen, dan weer geeft het een 
klap alsof er dynamiet ontploft. Het geluid 
van de donder is afhankelijk van de richting 
waarin de bliksemstraal zicht ten opzichte 
van u verplaatst. Als de bliksemstraal zich 
naar u toe of van u af beweegt zullen de 
geluidsgolven u geleidelijk bereiken. Hier- 
door hoort u een aanhoudend gerommel. 
Het kan echter ook voorkomen dat de blik- 
semstraal op constante afstand van u 
voorbijschiet, de geluidsgolven bereiken u 
dan onmiddelijk en dit ervaart u als een 
daverende klap. Het sissende geluid dat 
soms wordt waargenomen vóór de donder 
is waarschijnlijk het geluid van de vooront- 
lading. 


Blikseminslag 

Het verhaal dat bliksem altijd op het hoog- 
ste punt in de omgeving inslaat is slechts 
ten dele waar. De richting die de bliksem- 
straal kiest is afhankelijk van de ver- 
spreiding van de elektrische lading in de 
lucht. 

Als de straal slechts ca. 10... 100 m 
boven de grond is dan heeft de bliksem een 
voorkeur voor de hogere punten. Dit is de 
reden dan men bliksemafleiders heeft ge- 
bouwd, waarbij de punt boven andere hoge 
punten uitsteekt. De straal zal nu het 
hoogste punt kiezen om in te slaan en dit is 
de bliksemafleider; omdat we er tevens 
voor zorgen dat deze afleider van metaal is 
is de bliksemstraal helemaal in zijn nopjes 
en zal niet langer ‘twijfelen’ en dit punt als 
inslagpunt kiezen. Metaal trekt de bliksem 
beter aan i.v.m. de elektrische geleidbaar- 
heid. Desalniettemin schrikt de bliksem- 
straal er ook niet van terug om zijn weg 
naar de aarde via een minder goede ge- 
leider te zoeken, zoals bijvoorbeeld hout 
(bomen) of zelfs de mens of een dier. 

Het te beveiligen object is voorzien van 





Hobbit 


33 


DEE 


ontvangers die verticaal zijn opgesteld. 
Deze geleiden de bliksemstroom vanaf het 
punt van inslag naar de aarde. In het object 
(bijvoorbeeld een kerk of een huis) is nu 
niets te merken van het elektrische veld dat 
de bliksemstroom veroorzaakt. Dit komt 
door het principe van Faraday. Michael 
Faraday bewees in 1831 dat een elek- 
trische stroom, vloeiend in een geleider 
die een ‘kooi’ vormt, in die kooi geen enkel 
elektrisch effect veroorzaakt. Omdat een 
metalen auto ook een geleidende kooi is, 
is men tijdens onweer in de auto veilig. 
Indien de bliksem de auto als inslagpunt 
zou kiezen, dan geleidt de carrosserie de 
bliksemstroom naar de aarde. Hierbij kan 
het rubber van de banden de stroom er 
niet van weerhouden naar de aarde af te 
vloeien. De personen in de auto zijn veilig 
doordat zijn zich in de kooi bevinden. 


Wat te doen bij onweer 

Als u tijdens onweer buiten bent loopt u de 
kans dat de bliksemstraal u uitkiest om als 
geleider naar de aarde te fungeren. Of u 
daar blijmee bent is een tweede. Dit noemt 
men ‘directe inslag’. 


DIGI-POWER 


Met duimwielschakelaars stelt u zeer nauwkeurig (1%) een uiterst stabiele 
spanning in, die u meteen op de schakelaars afleest. 0-20 V, 1 Amp; kortsluitvast 


Compleet met bouwhandleiding 
Extra voor trafo, Philips 
Extra voor metalen kast BC 3 


Wat echter veel vaker voorkomt is de ‘in- 
directe inslag’. De bliksem slaat dan enkele 
meters verderop in en de stroom verplaatst 
zich straalsgewijs in alle richtingen in de 
grond. Hierdoor ontstaat een hoog span- 
ningsverschil tussen uw beide voeten en 
hierdoor zal er een stroom door uw lichaam 
gaan lopen. Daarom moet u, indien u in het 
open veld door de bliksem wordt over- 
vallen, het oppervlak met de grond zo klein 
mogelijk maken. Dus bij voorbeeld met de 
voeten naast elkaar gaat staan. U kunt dan 
echter nog wel door directe blikseminslag 
getroffen worden. Om ook dit risico te be- 
perken kunt u in het uiterste geval (als er 
geen huis of auto in de buurt is) het beste 
hurken met de armen om de benen heen 
geslagen, hierbij de voeten bij elkaar hou- 
dend om het contactoppervlak met de 
grond zo klein mogelijk te maken. 


Vanzelfsprekend moet u nooit onder een 
boom of de ver uitstekende takken daarvan 
gaat staan. Hier loopt u tijdens onweer het 
grootste gevaar! 

Blijf ook uit de buurt van lange metalen 
hekwerken of afrasteringen. Als de bliksem 


f 89, 


nodig 
Speaker in zwarte kast 
Beltrafo, 12 V, 1 Amp 


PROFESSIONELE INBRAAKALARMCENTRALE 


Reeds beschreven in ELO en in deze Hob-bit. In totaal vijf bouwpaketten, alle 


compleet met handleiding 

ELO 238 Voorpost, onderdelen met print 

ELO 239 Alarmcentrale, print, relais etc 

ELO 240 Extern slot, incl. relais. Zonder 

print en sleutelschakelaar 

Voeding, onderdelen, koellichaam, 
print etc. Excl. trafo 

Trafo voor HB 2; 15 V — 1,5 Amp 
Spanningbewaker. Alle onderdelen van 
biz. 28; incl. printje 


HB 2 


OT 95 
HB 8 


REACTIETESTER 5 


Kunststof kast (foto blz. 23) e/ 
Zoemer MEB 12 V 


ASSORTIMENTEN 


20 Rode LEDs 5 mm o 

28 Elko's van 1 uF tot 2200 uF 

4 Displays FND 500 of TIL 702 (c.C.) 
25 Transistoren (15 BC 547, 10 BC 557) 
6 Miniatuur tuimelschakelaars 1 x om 
2000 Afwrijfletters & cijfers (2,5 mm) 


JACKPOT f 45, 
Drie groepen van elk drie 
LEDs lichten in willekeurige 
combinaties op 

Ook HOLD-mogelijkheden 
aanwezig: met “uitrolklok 
Compleet met print, tiptoet. 
sen, IC'sen LEDs. Werkt op 
batterij 

Extra voor kunststof kast 
(P 3) f 8,95 


Omcirkel no. A12 op de Infokaart. 


MELODISCHE DEURBEL 


Uit Hob-bit |. Het bouwpakket bevat o.a. 23 instelpots, 14 
IC's, 40 diodes, print, handleiding etc. Eventueel extra 


hierin inslaat of bijvoorbeeld via een boom 
hierin terecht komt kan dit hekwerk de blik- 
semstroom honderden meters geleiden. 
Zoals uit het voorgaande duidelijk is ge- 
worden moet men ook nooit plat op de 
grond gaan liggen. Hierdoor wordt het aan- 
rakingsopervalk met de grond maximaal 
waardoor het risico van indirecte inslag 
toeneemt! 


De gegevens van dit artikel zijn ontleend 
uit ‘leven met bliksem’ van ir. H. Aaftink. 
Wie meer wil weten van onweer kan dit 
boekje in zijn bezit krijgen door storting van 
f. 13,50 (incl. verzendkosten) op postgiro 
28462 t.n.v. Winterhur Verzekeringen on- 
der vermelding van ‘leven met bliksem’. 
Het boekje is rijkelijk voorzien van illustra- 
ties en kleurenfoto's, het is in duidelijke en 
heldere taal geschreven en bevat een 
schat aan informatie over het verschijnsel 
bliksem. 


f 97,50 


f 12,50 
f 9- 


VOEDING voor hybrideversterker (2 x 40 W 


Alle onderdelen op blz. 45 excl. trafo 


f 29,50 
f 49,50 
Bereik câ. 15 m: incl. handleiding 
Zender incl. print en druktoetsen 
Ontvanger incl. print en relais 
Kunststof kastje voor de zender 


f 22,50 


f 37,50 
f 31- 


Extra voor elko's C1. C3 voor 2 x 75 Watt 


INFRAROOD AFSTANDSBEDIENING uit Hob-Bit 1 


DIGITALE THERMOMETER (E 123) 


Compleet met kast. 4 temp voelers, display en voeding 


f 16,- 


f 49,95 


a Amma 
Compleet met print en alle onderdelen, van blz. 23! ianua nog extra nodig 


f 10- 
f 6- 


DIGILOGE TOERENTELLER 


16 LEDs geven toerental aan. Voor 6.14 Volt. Simpel te bouwen en aan te sluiten 


SIGNAAL OP HET SPOOR 


ldeale foutzoeker in LF, HF en digitale schakelingen. Uit Elo 5: met print, handleiding, meter, 


speaker, bussen etc, Alleen nog trafo nodig (f 16,50) en kast BC 3 


SINUS-BLOKGENERATOR 


Professionele specificaties: van 10 Hz-100 kHz, te verhogen tot 0,5 MHz. Print met alle 


onderdelen, schakelaars, handleiding etc 
Extra nodig 

Trafo 2x 15 V 

Kast BC 3 

of kast BC 4 (groter) 

Eventueel TCA 680 


f 46,- 


ROGER PEEP 

Simpel aan te sluiten tussen microfoon en bak 
(PTT-MARC) 

Werkt met of zonder voeding. Eenvoudig te 
bouwen, dankzij duidelijke Kane: 

Print met onderdelen f 12 
Print, onderdelen, kastje en pluggen f 25 


f 75- 
f 69,- 


BESTELWIJZE 


Postbus 4 

2678 ZG De Lier Cc 6 
Hoofdstraat 11 achter mil 

Tel 01745-5867 RER 








34 


Hobbit 


A Microcomputertechniek 


De micro- 


computer, bit voor 


bit (2) 


In het eerste deel van onze nieuwe serie hebben we nagegaan uit welke 
delen een computer is opgebouwd, hoe daaruit een microcomputer 
ontstaat en wat de vergelijking van een microprocessor met onze hersenen 


betekent. 


Het is van belang de beide geheugenfunc- 
ties van een computer gescheiden te 
houden. De informatie die in het program- 
mageheugen is opgeslagen, is vast en kan 
niet worden veranderd. Deze informatie 
kan alleen maar uit dit geheugen worden 
gelezen. We kunnen er dus geen nieuwe 
informatie in opslaan en even later weer 
gebruiken. In het Engels wordt dit aange- 
geven met Read-Only-Memory, met de 
gebruikelijke afkorting ROM. 

Wat er ook gebeurt, we kunnen de infor- 
matie die daarin is opgeslagen slechts op 


Fig. 1. Alleen m.b.v. speciale 
aanpassingsschakelingen is 
communicatie met de micro- 
computer mogelijk 


invoer- 
lijn 


interface 
[bu 
| optische 
sensor 


in-/uitvoer- 
lijnen 


andere 
interfaces 


één manier beschikbaar krijgen. De volg- 
orde en de soort informatie liggen onver- 
anderlijk vast. Op een aantal details komen 
we later terug. 


In tegenstelling tot een ROM kunnen we in 
een werkgeheugen allerlei informatie in- 
lezen en vastleggen en op elk willekeurig 
tijdstip weer teruglezen. Zo’n geheugen 
zou dus eigenlijk een leesschrijfgeheugen 
moeten heten. In de Engelse taal zou dat 
dan Read-Write Memory zijn. Maar de af- 
korting RWM is nooit aangeslagen, en als 


geheugen 


uitvoer- 
lijn 


interface 
Dv 
electro- 
motor 





dat bij de Amerikanen zelfs niet lukt, dan 
moet er wel wat mee aan de hand zijn. 
Tegenover de afkorting ROM is wel het 
woord RAM ingeburgerd, een afkorting van 
Random Access Memory, wat vertaald in 
het Nederlands betekent: willekeurig toe- 
gankelijk geheugen. Het wezenlijke ver- 
schil tussen een ROM en een RAM is, dat 
een ROM informatie bezit die alleen in een 
bepaalde volgorde door de CPU wordt uit- 
gelezen en dat bij een RAM informatie op 
willekeurige plaatsen kan worden vastge- 
legd (ingeschreven) maar ook weer kan 
worden uitgelezen. De informatie in een 
RAM kan worden veranderd; die in een 
ROM niet. 

Of je het woord RAM gewoon op zijn Ne- 
derlands uitspreekt of met een Haags ac- 
cent, zoiets als REM met de e van geld, dat 
doet er niet toe; beide uitspraken komen 
evenveel voor. 

Wanneer je toevallig ook wel eens de 
woorden PROM, EPROM of meer van dat 
fraais bent tegengekomen, dan doe je er 
verstandig aan voorlopig maar net te doen 
alsof deze begrippen niet bestaan. Daar 
komen we later wel eens op terug, doch 
onthou maar alvast dat dit geheugens zijn 
met een paar bijzondere eigenschappen. 
We gaan nog even door met het trekken 
van parallellen tussen een computerge- 
heugen en het menselijk geheugen. Als de 
mens bepaalde informatie wel eens heeft 
waargenomen en opgeslagen, zal toch na 
verloop van tijd de informatie vervagen. Je 
hoort vaak genoeg iemand zeggen: ‘Ik kan 
er maar niet opkomen.’ Wanneer hij dan 
nog eens diep nadenkt zegt hij even later: 
‘Ja, dat is het.’ Dit soort dingen komt bijeen 
computer niet voor. Daar kennen we maar 
twee toestanden: òf hij heeft de informatie 
opgeslagen en vindt ogenblikkelijk terug 
wat we vragen, òf het is om de een of 
andere reden niet opgeslagen en de com- 
puter kent de informatie in het geheel niet. 
Elk zoeken zal vruchteloos blijven, want de 
computer kan het niet vinden. Een com- 
puter is dus nooit te lui om iets op te 
zoeken, maar dat iets moet er wel zijn. 


Een „P-kanaal kan veel verwerken 

Het derde functionele gedeelte van een 
computer bevat of verzorgt de verbin- 
dingen met de buitenwereld en bestaat uit 
z.g. in- en uitgangskanalen. Soms komt 
men ook de uitdrukking ‘poorten’ wel 
tegen. 


Fig. 2. Een eenvoudig vermenigvuldigings- 
voorbeeld en de oplossingsmethode daarvoor 
van een microcomputer. 


Y=3*X 


gesplitst in optellingen: 


Y=X XX 








Hobbit 


35 





Á Microcomputertechniek 





Afb. 3. Moderne kassa's zijn veelal uitgevoerd 
met een microcomputer. 


Via dit functieblok loopt alle informatie die 
naar de computer moet gaan en die er 
vandaan komt. (fig. 1). 

Als we nu weer even een vergelijking met 
onze hersenen maken, worden enkele 
dingen duidelijker. Wat voor zin heeft het 
als via de antenne-aansluiting allerlei in- 
formatie ons televisietoestel binnenkomt 
en we missen een hulpmiddel om het toe- 
stel in te schakelen (via een uitgangska- 
naal van onze hersenen) of als er geen 
ingangskanaal bestaat (het oog) om het- 
geen op het scherm komt aan onze herse- 
nen toe te voeren? 

Voordat de hoeveelheid informatie via ons 
oog kan worden waargenomen, moet dus 
een inschakelbevel zijn gegeven. Het ge- 
makkelijkst is het als deze opdracht via het 
akoestische kanaal (de mond) gaat, bij- 
voorbeeld: ‘Hé joh, zet die kast eens aan” 
Het kost wat meer inspanning om deze op- 
dracht via het uitvoerkanaal (de arm) uit te 
voeren.We moeten dan immers gaan staan 
en naar het toestel lopen .…… 

Kom nou niet op de gedachte om te zeggen 
dat je wel over een afstandbesturing be- 
schikt om het toestel in te kunnen schake- 
len. Dat is een deelsysteem van de elek- 
tronica en valt in computertermen onder 
het hoofdstuk ‘verdeelde intelligentie. 
Daarmee wordt bedoeld dat bepaalde 
functies ergens anders worden uitgevoerd 
om de centrale computer efficiënter te 
kunnen gebruiken. 

Tussen het geheugen en de buitenwereld 
is vaak een tussenschakeling noodzakelijk, 
die met het Engelse woord ‘interface’ wordt 
aangeduid. Als voorbeeld noemen we hier 
dat de kleurstippen van het televisie- 
scherm niet rechtstreeks in onze herse- 
nen worden gepompt, maar via een aan- 
passingsmiddel: ons oog. De centrale ver- 
werkingseenheid in onze hersenen ver- 
taalt deze informatie, slaat ze op en ver- 
werkt ze tot een herkenbaar plaatje. 

In- en uitgangskanalen vinden we ook bij 
automaten, waar de muntinworp en het uit- 
trekken van de gekochte artikelen als zo- 
danig herkenbaar zijn. Wat er binnen in 
deze kast gebeurt nadat wij het muntstuk 


hebben ingeworpen is niet van belang. Dat 
er wat gebeurt is zeker, en het resultaat 
zien we als kroket of zoiets in onze hand. 

In het algemeen moeten we ons dus reali- 
seren dat er na het invoeren van informatie 
iets moet worden bewerkt en dat de ge- 
vraagde resultaten na korte of langere tijd 
via het uitvoerkanaal beschikbaar komen. 


Hardware en software 

In het kader van de terminologie waarmee 
we onstot nu toe hebben beziggehouden, 
moeten we nog twee woorden toelichten: 
hardware en software. 

Onder de hardware van een computer 
verstaan we alles wat met de werkelijke 
techniek van een computer te maken heeft, 
zoals printen, de microprocessor, de kast, 
de printer, het toetsenbord voor de invoer 
van informatie enzovoort. Alles wat we dus 
kunnen voelen en vastpakken. 

Wat we alleen maar kunnen bedenken, en 
wat we niet kunnen vasthouden noemen 
we software. Dat is dan alle informatie die 
voor de opbouw van een programma nodig 
is of de informatie die in het geheugen is 
opgeslagen. Dit wil nog niet zeggen dat we 
de computer daarmee tot een intelligent 
apparaat maken. Menigeen denkt dat je 
een apparaat intelligent maakt als-ie het 
maar snel doet. Gelukkig is dat nog steeds 
niet het geval, maar we komen daar nog 
wel eens op terug. 

We willen hier nog iets over al die spraak- 
verwarringen zeggen. We kunnen er niet 
onderuit dat de ontwerpers van computers 
en computeronderdelen begrippen in hun 


Afb. 4. Bij deze home-trainer bewaakt een 
kleine microcomputer de trimoefeningen. 





eigen taal bedenken en dat daardoor 
namen ontstaan die later zo ingeburgerd 
raken dat je er met goed fatsoen geen goed 
Nederlands woord voor kunt vinden. Taal- 
puriteinen zijn natuurlijk altijd in staat om 
daar iets aan te doen, maar dan krijg je van 
die kunstmatige woorden. Zo zou je hard- 
ware met bijvoorbeeld apparatuur kunnen 
vertalen, maar we voelen allemaal wel aan 
dat apparatuur zo’n algemeen woord is, dat 
we daar niets speciaals voor een computer 
in herkennen. Het woord sofware zou rede- 
lijkerwijs met programmatuur kunnen 
worden vertaald. Ook dit woord geeft in de 
samenhang met computers niet precies 
weer wat we met software bedoelen. 

Het voordeel van woorden die over de hele 
wereld zijn ingeburgerd is, dat men vak- 
literatuur veel sneller kan begrijpen, ook als 
deze in een vreemde taal is geschreven. 
Ook hier zal een zekere tolerantie op zijn 
plaats zijn, zodat je geen verkrampte toe- 
standen krijgt door ten koste van alles een 
Nederlands woord te willen vinden. We 
laten hardware en software daarom maar 
in het Engels staan. 


Onnozele computers zijn wel ijverig 
Voordat we wat dieper op de verschillende 
technische zaken van een computer in- 
gaan, moeten we eerst het waanidee uit de 
weg ruimen dat een computer alles weet, 
oppermachtig en verschrikkelijk intelligent 
is. In wezen is een computer een stomp- 
zinnig ding, dat uit zich zelf niets kan. 

In overdrachtelijke zin zouden we kunnen 
zeggen dat een computer wel tonen kan 
voortbrengen, maar dat alleen een compo- 
nist daarmee een symfonie kan maken. In 
dit geval is dat dus de programmeur. 
Doordat een computer alles zo verschrik- 
kelijk snel kan uitvoeren, geeft dit vaak het 
idee dat zo'n apparaat het einde is van 
technisch vernuft. We moeten ons eigenlijk 
realiseren dat een microcomputer slechts 
de eenvoudigste opdrachten kan uitvoe- 
ren, zoals het doorschuiven van informatie 
of het optellen van twee getallen. Het gaat 
in een microcomputer al fout als we twee 
getallen met elkaar willen vermenig- 
vuldigen, want zo’n opdracht kan niet 
worden uitgevoerd. Dit moet dan als een 
reeks van optellingen worden geprogram- 
meerd. In principe kan dit gemakkelijk 
worden gedaan, zoals dat in het voorbeeld 
in fig. 2 is weergegeven. 

Aan de andere kant moeten we stellen, dat 
er bijna niets is wat een microcomputer niet 
zou kunnen. Dat komt door het feit dat een 
microcomputer in vergelijking met onze 
menselijke hersenen zo allemachtig snel 
kan werken; in korte tijd kunnen zeer om- 
vangrijke problemen worden opgelost. We 
kennen daarvan allemaal wel een paar 
voorbeelden om ons heen. 
Microcomputers penetreren in vrijwel alle 
segmenten van onze maatschappij, maar 
we weten ook dat de technische toepas- 
sing niet voor alle doeleinden even zinvol 
is. Een voorbeeld om over na te denken is 





36 


Hobbit 


A Microcomputertechniek 


de tankslag in kleur die je als televisiespel 
op je scherm kunt uitvoeren. Als je aan zes 
uren televisie kijken nog niet genoeg had 
en je speelt dit spel, dan moet je toch be- 
denken dat dit alleen maar mogelijk werd 
door toepassing van een multiprocessor, 
waarmee we bedoelen dat er meerdere 
microprocessoren nodig waren om dit spel 
in deze vorm mogelijk te maken. 

Een ander extreem voorbeeld vinden we in 
medische toepassingen. Om de werking 
van het hart goed te kunnen analyseren 
moest men vroeger een catheter (holle 
buis) inbrengen. Tegenwoordig kan men 
volstaan met het aanbrengen van uitwen- 
dige sensoren (voelers) en de gegevens 
door een microcomputer laten verwerken. 
Het is vooral dit soort toepassingen dat tot 
de verbeelding spreekt en waarvan ieder- 
een vindt dat de microprocessor goed werk 
doet. 

Tussen deze twee uiterste voorbeelden ligt 
een breed scala van allerlei toepassingen 
voor de microprocessor, waarin deze naar 
behoren rustig en bescheiden zijn werk- 
zaamheden uitvoert. Zo zie je bij benzine- 
tankstations niet meer de rondtollende 
schijven met cijfers, maar flapperende 
zeven-segmentencijfers als het uithang- 
bordje van de microcomputer. Of je ziet de 
ingetikte getallen op een kassa in een 
supermarkt telkens naar links schuiven wat 
in veel gevallen met een slim of hinderlijk 
piepje wordt begeleid. Ook hier speelt de 
microcomputer een rol, zoals een paar 
voorbeelden in afb. 3 aantonen. 

Voor mensen die hun hartinfarct liefst thuis 
krijgen zijn er home-trainers (in goed Ne- 
derlands: kunstfietsen) op de markt die je 
vóór de training vraagt of je man of vrouw 
bent, wat je leeftijd is en hoe zwaar je bent. 
Dan kun je opstappen zoals in afb. 4 en 
beginnen te trappen. Uit de toename van 
de hartslag berekent de computer hoe lang 
je vandaag kunt trainen. 


Een grootscheepse opmars van de micro- 
computer in de auto-elektronica wordt nog 
door een aantal hinderpalen belemmerd, 
maar toch zal zich dit heel duidelijk door- 
zetten. Vanaf 1977 zijn er al Amerikaanse 
auto’s op de markt waarvan het ontste- 
kingstijdstip door een microcomputer wordt 
geregeld. Dit wordt natuurlijk niet gedaan 
omdat men zo graag elektronica in de auto 
wil hebben, maar duidelijk met het doel om 
brandstofbesparing te krijgen en een 
betere verbranding van de brandstof waar- 
door minder schadelijke stoffen in het 
milieu terechtkomen. 

Het is natuurlijk duidelijk dat dit soort ont- 
wikkelingen op het juiste moment komt, 
want wie is er niet geïnteresseerd in alles 
wat met energieschaarste en leefomstan- 
digheden te maken heeft. 

We kunnen nog wel even doorgaan met het 
opsommen van toepassingsmogelijkhe- 
den van de microcomputer. We vinden ze 
al in wasmachines, kooktoestellen en 
naaimachines. En al deze toepassingen 


geven betere en meer mogelijkheden met 
de machines of apparaten waarin ze zijn 
toegepast ( afb. 5). 

De voordelen van het gebruik van micro- 
computers in industriële toepassingen vin- 
den we vooral in een kortere ontwikkelings- 
tijd (met verlaging van de kosten), hogere 
flexibiliteit (door verandering van een pro- 
gramma kan men met hetzelfde apparaat 
andere dingen doen), maar ook een 
hogere betrouwbaarheid (mechanica 
wordt vervangen door elektronica). Het is 
natuurlijk niet zo, dat dit vanzelf gaat. In 
bedrijven waar men van microcomputers 
gebruik gaat maken moet men ook vak- 
mensen in gaan zetten en daar zal men wel 
investeringen voor over moet hebben. 


Het gaat niet altijd ten koste van werk- 
gelegenheid 

De introductie van de microcomputer heeft 
ook reeds voor de nodige discussies 
gezorgd. In alle lagen van de bevolking 
denkt men mee te kunnen praten over het 
wegvallen van arbeid door de invoering 
van deze microcomputers. 

In zeer veel gevallen heeft de invoering 
voor meer werkgelegenheid gezorgd. 
Maar zelfs als we even aannemen dat er 
wel werkgelegenheid wegvalt, dan kunnen 
we constateren dat het verleden ons heeft 
geleerd dat technische vernieuwingen niet 
zijn tegen te houden. We zien wel een ver- 
schuiving van het soort werk, waar we be- 
slist veel aandacht aan zullen moeten 
geven, en däàr kan en mag ook iedereen 
over mee praten. 

We zien dan ook dat de toepassing van 
microcomputers geheel nieuwe mogelijk- 
heden openlegt met nieuwe toepassingen 
en gebruiksmogelijkheden, waar we dan 
ook nieuwe werkgelegenheid zien ont- 
staan. Wie zich bij voorbeeld 20 jaar ge- 
leden een uitspraak had veroorloofd dat in 


Afb. 5. Zelfs bij het koken krijgt de huisvrouw 
tegenwoordig de hulp van een microcomputer. 





het huishouden een elektronisch rekenap- 
paraat zou worden gebruikt zou voor gek 
zijn verklaard. Toch zien we nu dat er mil- 
joenen van dit soort apparaten op brede 
schaal in gebruik zijn en dat schoolkinder- 
en van apparaatjes gebruik maken waar 
een ingenieur 25 jaar geleden bij wijze van 
spreken een moord voor zou hebben be- 
gaan om zo’n hulpmiddel tot zijn beschik- 
king te hebben. 

Uit deze paar voorbeelden zien we dat er 
nieuwe markten zijn ontstaan waar veel 
mensen een dagelijkse boterham in 
verdienen. 


Microcomputers worden huisgenoten 
Met behulp van de reclame kan men veel 
bereiken. We zien het dagelijks op de tele- 
visie en in de krant: als je het maar lang 
genoeg herhaalt breng je veel mensen in 
twijfel en beginnen ze te geloven dat het 
ook voor hen is bestemd. 

Zo begint nu ook de mening post te vatten 
dat iedere geïnteresseerde in elektronica 
zijn eigen hobbycomputer moet hebben. 
Het doet een beetje denken aan het sno- 
bisme om in elk geval een huisdier te 
hebben, maar dan wel iets bijzonders zoals 
een olifant of een tijger. Wanneer je daar nu 
de hobbycomputer bij voegt en zegt dat dit 
in Amerika al heel gewoon is, dan lijkt het 
erop of je aan een soort volksmisleiding 
gaat doen. Wat men bedoelt is meestal een 
soort ‘terminal’, een intelligent toetsenbord 
en beeldscherm, dat men voor f 2000,—tot 
f 20.000, kan kopen om in het semi-pro- 
fessionele toepassingsgebied met een 
grotere computer te kunnen praten om 
daarin zijn opdrachten te kunnen laten uit- 
voeren. 

Het heeft echter nog niets te maken met het 
echte hobbywerk, waarmee men zijn vrije 
tijd kan vullen door het maken en ontwik- 
kelen van computersystemen. 

Om met de beeldspraak van het huisdier 
verder te gaan, kunnen we wel vaststellen, 
dat de microcomputer geen wereldvreemd 
exotisch huisdier zal zijn, maar meer een 
soort alledaagse goudhamster. We willen 
met ons beestje alle vreugden van een ge- 
woon huisdier beleven en we moeten er 
ook geïnteresseerd in kunnen blijven. 

We kunnen ook doorborduren op een iets 
andere beeldspraak en vaststellen, dat we 
niet meteen naar een Porsche streven 
maar beginnen met een zeepkistje, wellicht 
met een motor. We bereiken daar in elk 
geval mee dat onze verwachtingen niet te 
hoog zijn gesteld. En met een zeepkist op 
een speelplaats kunnen we heel aardig de 
verkeersregels oefenen en we hoeven niet 
meteen met een Formule-1 wagen op 
Zandvoort te racen. Dit heeft tevens het 
voordeel dat je niet een handleiding van 
vele bladzijden door moet worstelen voor- 
dat je mag gaan rijden. We gaan meteen 
zitten, laten dat ding rijden en gaan er wat 
mee doen. Mocht het tegenvallen dan 
hebben we in elk geval niet een te grote 
uitgave gedaan. (Wordt vervolgd) 


rn 


Hobbit 


37 








Praktische tips 


Zelf ontwerpen: 
stap voor stap (2) 


Opbouw en werking van de transistor 


In het eerste deel van deze serie hebben we gezien dat een diode uit twee 
lagen bestaat die elk verschillend zijn gedoteerd. Een der beide lagen is 
elektrisch positief gemaakt, de andere elektrisch negatief. We spreken 
dan ook van een P-laag en een N-laag. 

Een diode is een zogenaamd ‘passief’ element, d.w.z. dat we er niet mee 
kunnen versterken. We zullen nu eens een actief element onder de loep 


nemen: de transistor. 


Alle radiobuizen behalve de vacuümdiode 
(die ook in een glazen ballonnetje zit en 
men dus voor een buis zou kunnen 
aanzien) zijn actieve elementen, evenals 
de transistor. 

De transistor is aanzienlijk minder oud dan 
de radiobuis, nml. van 1948. De transistor 
is in staat de radiobuis in de toekomst 
volledig te vervangen, maar zover is het 
thans nog niet. Net zoals de diode kan de 
transistor van twee halfgeleider materi- 
alen worden gemaakt: germanium en 
silicium. Aanvankelijk was de eerst- 
genoemde de belangrijkste, nu wordt 
echter de siliciumtransistor het meest 
toegepast. 

Vooral de ontwikkeling van geïntegreerde 
schakelingen heeft de importantie van de 
siliciumtransistor aanzienlijk vergroot. Het 
is in principe mogelijk geïntegreerde 
schakelingen met germaniumtransistoren 
te maken, maar het gaat veel gemakke- 
lijker met siliciumtransistoren en de elek- 
trische eigenschappen van deze laatsten 
zijn in tal van opzichten beter dan die van 
germaniumtransistoren. 

Zo hebben siliciumtransistoren bijvoor- 
beeld veel kleinere verliezen 





Fig. 1. Opbouw van een NPN- en een PNP 
transistor. 


38 


Opbouw 

Als we de opbouw van een transistor be- 
kijken dan zien we dat deze uit drie lagen 
bestaat welke als het ware twee tegen 
elkaar ingeschakelde dioden vormen die 
de middelste laag gemeenschappelijk 
hebben (zie fig. 1). Eris echter een heel 
belangrijk verschil: bij een transistor is 
deze laag nml. zeer dun t.o.v. de beide 
andere lagen. Op die dunne tussenlaag 
berust de werking van de transistor als 
actief (dus versterkend) element. 


We onderscheiden twee typen tran- 
sistoren: het PNP-type en het NPN-type. 
De verschillen in opbouw van de beide 
typen blijken duidelijk uit fig. 1. 

Ter onderscheiding hebben de drie lagen 
elk een naam gekregen. We zien dat de 
laag die we ‘basis’ noemen altijd de mid- 
delste is. 


Als we een transistor met een elektronen- 
buis zouden vergelijken komt deze in be- 
paalde opzichten overeen met een triode- 
buis. De basis van de transistor kunnen 
we dan vergelijken met het stuurrooster 
van de triode. De emitter van de transistor 


(opbouw) 








Fig. 2. Vergelijking van transistor en elek- 
tronenbuis. 


zou in deze vergelijking overeenkomen 
met de kathode en de collector met de 
anode (fig. 2). 


Werking 

We gaan nu eerst de werking van een 
silicium NPN-transistor bekijken. We zien 
dat de overgang van de basis naar de 
emitter precies dezelfde principiële op- 
bouw heeft als de eerder besproken 
diode, zij het dan dat de basislaag veel 
dunner is dan de emitterlaag. 

Als we de collector niet aansluiten komt de 
werking dan ook overeen met die van een 
diode. 

Sluiten we een gelijkspanning aan tussen 
de basis en de emitter waarbij de positieve 
kant van de voedingsbron aan de basis en 
de negatieve kant aan de emitter wordt 
aangesloten, dan hebben we een in voor- 
waartse richting geschakelde (dus 
stroomdoorlatende) diode. 

Precies hetzelfde is uiteraard het geval als 
we de emitter niet aansluiten en de ge- 
lijkspanning tussen de basis(positieve 
kant) en de collector (negatieve kant) 
aansluiten. 

Terug nu naar het voorbeeld van de als 


npn=-transistor 


Hobbit 


A Praktische tips 


diode werkende basis-emitter overgang. 
Er loopt nu een stroom van de basis naar 
de emitter die we basisstroom zullen 
noemen. 

Zo meten we die althans buiten de tran- 
sistor, want er is een afspraak gemaakt 
die stamt uit de tijd dat men van elektronen 
nog geen kaas had gegeten: een elek- 
trische stroom vloeit altijd van plus naar 
min. Intussen weten we wel beter. Een 
N-laag heeft nml. een teveel aan elek- 
tronen (negatieve deeltjes) en de P-laag 
heeft hieraan een tekort. Binnen in de 
transistor zal er dus een elektronenstroom 
gaan lopen van de emitter naar de basis! 
Nu gaan we ook een potentiaal zetten op 
de collector. De collector wordt hierbij po- 
sitief gemaakt en dat doen we zoals in fig. 
3 is aangegeven met behulp van een 
tweede spanningsbron. 


Stroomversterking 

We zien nu dat er nog een stroom gaat 
lopen en wel van de collector naar de 
emitter en weer terug naar de spannings- 
bron. Zo meten we die stroom. Echter: 
binnen in de transistor gebeurt weer het- 
zelfde dat ook bij de basis-emitter over- 
gang het geval was: de elektronenstroom 
loopt net andersom. Er loopt dus een 
stroom naar de collector toe. 


Dit kan alleen maar gebeuren omdat de 
basislaag zo dun is en omdat er op de 
collector een positieve spanning staat. 
De elektronen, op hun weg van de emitter 
naar de basis en dus vloeiende door het 
materiaal van de basis-emitterdiode die in 
voorwaartse richting is geschakeld, 
komen aan op de basislaag. De positieve 
collector trekt ze hier aan. Als nu de col- 
lectorspanning maar hoog genoeg is, 
‘springen’ de elektronen als het ware over 
dit dunne laagje heen en begeven zich 
naar de collector. 

De elektronenstroom door de basis- 
emitter diode stuurt nu dus een stroom 
naar de collector. Als de transistor ideaal 
zou zijn, zou er nu geen stoom meer naar 
de basis vloeien, maar daarentegen naar 
de collector. Dit gebeurt slechts als de 
spanning tussen de collector en de emitter 
zo groot is, dat ze alle elektronen kan aan 
trekken. 

Deze spanning moet dan minstens 0,3 volt 
zijn. De collectorstroom zou dan in zijn 
geheel naar de emitter vloeien, dus de 
collector- en de emitterstroom zouden 
aan elkaar gelijk zijn. 


Helaas: weinig dingen zijn ideaal en dus 
ook de tranistor niet! Er loopt nml. toch een 
stroompje door de basis-emitterdiode. 
Met andere woorden: we kunnen een 


basisstroompje meten dat tegengesteld : 


loopt aan de elektronenstroom die het ver- 
oorzaakt. 

Dit zouden we eigenlijk als een verlies- 
stroompje moeten beschouwen. 

We kunnen de zaak ook anders 


benaderen en er dus van uitgaan dat een 
zeer kleine stroom in het basiscircuit een 
grotere stroom in het collectorcircuit ver- 
oorzaakt. Als we de transistor vanuit dit 
standpunt gaan gebruiken kunnen we dus 
zeggen dat de transistor een actief 
(stroomversterkend) element is. 


Versterkingsfactor 

Voor vele typen transistoren is de ver- 
houding tussen de basisstroom en de col- 
lectorstroom ca. 100... 400. Deze ver- 
houding wordt door de fabrikant op- 
gegeven en geeft de gelijkstroomver- 
sterking aan: leotiector/ lbasis- 

In de gegevens van de fabrikant van de 
transistor wordt deze verhouding veelal 
aangegeven met de griekse letter B, maar 
ook wel met A, of hre. 

Samengevat komt de praktische werking 
van de transistor er op neer, dat een (zeer) 


np n 


elektronenstroom 
en Hi ee 


batterij 


Basis en collector worden nu dus negatief 
t.o.v. de emitter geschakeld. 


Wisselstroomversterking 

Als we met een transistor slechts gelijk- 
stroom konden versterken hadden we er 
niet zo veel aan. We zouden hem dan 
hoogstens in digitale schakelingen 
kunnen gebruiken. 


Evenals we dat bij de bespreking van de 
werking van de diode hebben gedaan, 
kunnen we echter ook hier een kleine 
wisselspanning bij de basis-gelijk- 
spanning optellen. Behalve de versterkte 
gelijkstroom zal er dan in de collectorkring 
ook een wisselstroom gaan lopen. 

In het eerste deel van deze serie hebben 
we afgesproken dat we alle symbolen van 
gelijkspanningen- en stromen met hoofd- 
letters aan zullen geven en alle symbolen 


Fig. 3. NPN transistor aangesloten op twee voedingsbronnen; er gaan drie 


stromen lopen: Ip, Ic, le 


kleine basisstroom in staat is een veel 
grotere stroom door de collector te sturen, 
waardoor de transistor dus een stroom- 
versterkend element mag worden 
genoemd. Dit is een kenmerkend verschil 
met de elektronenbuis, want deze laatste 
is typisch een spanningsversterkend ele- 
ment. 

Tot nu toe hebben we de werking van de 
silicium NPN-transistor beschouwd. Er 
bestaan echter ook PNP-transistoren. 
Hierbij zijn dus zowel de emitter als de 
collector uit positief gemaakt silicium ver- 
vaardigd, terwijl de basis uit negatief ma- 
teriaal bestaat. 

Bij de verklaring van dit type transistor 
kunnen we het zelfde verhaal gebruiken 
doch hier moeten we niet de elektronen- 
stroom maar de gatenstroom be- 
schouwen (bewegende elektronen laten 
op de plaatsen waar zij vandaan komen 
open plaatsen achter, die we gaten 
noemen). Daarbij moet dan de polariteit 
van de spanningsbron worden omge- 
draaid. 





voor wisselspanningen- en stromen met 
een kleine letter. Deze methode ge- 
bruiken we ook bij de transistor. 

De wisselstroomversterkingsfactor van de 
transistor wordt in de door de fabrikant 
verstrekte gegevens aangegeven met «’ 
maar ook met hre (let op de kleine letter 
‘fe’, dit in tegenstelling tot de gelijk- 
stroomversterking, waar de index met 
hoofdletters geschreven wordt: ‘FE’). 

a’ Is dus de verhouding tussen de collec- 
torwisselstroom en de basiswisselstroom: 
ic/ip. 

Deze basiswisselstroom is het gevolg van 
de tussen de basis en de emitter aange- 
legde wisselspanning upe. 


Steilheid van een transistor 

Als we bij een actief element de verster- 
king willen berekenen krijgen we altijd te 
maken met de grootheden spanning en 
stroom. 


Bij de elektronenbuizen voerde men 
daarom het begrip steilheid (aangegeven 


mn nennen ene een 


Hobbit 


39 








Praktische tips 


met S) in. Dit is de verhouding tussen de 
stuurroosterspanningsverandering en de 
daaruit voortkomende anodestroom- 
verandering, aangegeven in milliampères 
anodestroomverandering per één volt 
roosterspanningsverandering (mA/V). 
Indien zich in de anodekring een bekende 
weerstand bevond kon men dus de span- 
ningsversterking berekenen uit S x Ra, 
waarin R, de weerstand in de anodekring 
voorstelt en S de steilheid (fig. 4a). 


Bij een transistor kunnen we met ditzelfde 
begrip steilheid werken, maar nu inplaats 
van de anodestroom bij de elektronenbuis 
de collectorstroom en in plaats van de 
stuurroosterspanning de basisspanning. 
Daarbij geeft S aan dat er een versterking 
plaatsvindt, die echter in bepaalde geval- 
len kleiner dan één kan zijn. Bij de tran- 
sistor kunnen we dus het begrip steilheid 
uitdrukken in de eenheid mA/V, afkomstig 
van de verhouding i-/upe. 

Bij de behandeling van de diode is het 
begrip wisselstroomweerstand of dif- 
ferentiaalweerstand ter sprake gekomen. 
Deze was gelijk aan u/i, en noemden we 
ra. We zien het verband: upe/i, is dus even- 
eens een differentiaalweerstand. Dit is 
echter de emitterimpedantie van de tran- 
sistor en geven we aan met r‚. 

Bij de diode was ry = 1/40 Xx I. 

Bij de transistor geldt: 


fe = 1/40 x Ie 


en dat is eveneens de reciproke (of omge- 
keerde) waarde van de steilheid S. 
Hieruit volgt dus dat S = 40 x le. 


Als we bij een transistor (net als in het 
voorbeeld van de elektronenbuis) in de 
collectorketen een weerstand R, hebben 
opgenomen, is ook hier de spanningsver- 
sterking gelijk aan S x R,.. We hebben 
gezien dat we voor S mogen schrijven 40 x 
|, (fig. 4b). 

Voor de spanningsversterking (die meest- 
al wordt aangegeven met de letter A) 
mogen we dus schrijven: 


A=40xl Xx Re 


Hierin is Il, de collectorgelijkstroom en Re. 
de collectorweerstand; l, x R, is dus de 
gelijkspanning die over de collectorweer- 
stand valt. 


Hieruit volgt dus dat bij een transistor de 
wisselspanningsversterking gelijk is aan 
40 x de gelijkspanning die over de collec- 
torweerstand staat. Simpeler kan het 
haast niet! 

Behalve de formuletjes voor de steilheid S 
moeten we dus ook goed onthouden: 


A= 40xlx Re = 40 x Un, 


Principe van halfgeleiding 

Het mag bekend worden verondersteld 
dat een atoom bestaat uit een kern met 
een aantal zich rondom die kern bewe- 


Fig. 4a. Pentode buis. 


Fig. 4b. Transistor. 





gende elektronen. Die elektronen zijn niet 
allemaal even vast aan de kern gebonden. 
Een germaniumatoom bijvoorbeeld heeft 
vier elektronen, die nogal los met de kern 
zijn verbonden. 

De overige elektronen echter zijn aan de 
kern verankerd. 

Het is mogelijk om aan die vier losse elek- 
tronen één toe te voegen en er eveneens 
één vanaf te nemen. 

Daartoe zal men een ander element aan 
het zuivere germanium moeten toe- 
voegen, dit andere element moet dan drie 
of vijf van die losgebonden elektronen be- 
zitten. Op deze manier verontreinigen we 
het zuivere germanium. 


Wanneer we nu een spanning aanleggen 
aan het verontreinigde germanium be- 
wegen de elektronen zich van het ene 
atoom naar het andere: er gaat door het 
germanium dus een stroompje lopen. 
Als we bijvoorbeeld arseen toevoegen 
(arseen heeft vijf vrije elektronen in de 
buitenste schil) dan verkrijgen we 
N-germanium, als we een stof met drie 
vrije elektronen toevoegen ontstaat het P- 
germanium. 

Op dit verschijnsel berust de werking van 
een vaste-stof diode, want twee van die 


stukjes tegen elkaar vormen een element 
waardoor slechts in één richting een 
stroom kan vloeien. 

Met silicium gebeurt een en ander op de- 
zelfde manier. Voegt men aan het zuivere 
silicium arseen toe (men noemt dit ‘dopen’ 
of ‘doteren’) dan krijgt men N-silicium. 
Voegt men echter boor toe dan verkrijgt 
men P-silicium. 


Fabricageproces 

De stap van een diode naar een transistor 
is niet zo groot. Stel dat men is uitgegaan 
van met arseen gedoopt silicium, silicium 
van het N-type dus. 

Op een bepaald gedeelte van het opper- 
vlak van dit N-silicium laat men nu met 
behulp van diffusie booratomen binnen- 
dringen. 

In dit gedeelte ontstaat dus P-silicium van 
ca. 3 um(10'® m) diep. Van dit oppervlak 
bakent men een klein gedeelte af. In dit 
gedeelte gaat men opnieuw een diffusie 
doen, ditmaal met fosfor, wat een 
N+-dope geeft. Met het +teken geeft men 
aan dat deze dope zwaarder is dan de 
N-dope. 


De diepte hiervan is bijvoorbeeld 2 um. 
Tijdens deze diffusies vormt zich een SiOz 
laagje boven het diffusie-oppervlak. Dit 
siliciumoxydelaagje noemt men in het 
jargon van de halfgeleidertechniek het 
‘glas’. Boven de boordiffusie heeft zich 
dus boorglas gevormd, boven de fosfor- 
diffusie fosforglas. 

Om de boordiffusie op een bepaalde 
plaats en met een bepaalde oppervlakte 
te laten plaatsvinden, heeft men eerst op 
het oorspronkelijke oppervlak SiOz laten 
groeien. Boven het oppervlak waar men 
de P-diffusie wil laten plaatsvinden etst 
men dat glas weg. 

De boordiffusie (of P-diffusie) kan nu 
plaatsvinden door het zo ontstane gat. 
Daarbij ontstaat boorglas boven het dif- 
fusieoppervlak. In dat booroppervlak etst 
men een klein gedeelte van het boorglas 
weg, in het nu ontstane gat diffundeert 
men fosfor. De diffusieplaats wordt dus 
door dit glas afgesloten. 


Tegelijkertijd met deze fosfordiffusie heeft 
men ook een klein oppervlak boven het 
oorspronkelijke N-silicium vrijgeëtst van 
SiO2. In het daarna ontstane gat heeft 
men in de boorlaag een fosfordiffusie 
laten plaatsvinden. Dit gebeurde tegelij- 
kertijd met de andere fosfordiffusie en is 
dus even diep. Alles is nu weer met glas 
bedekt. 


Verbinding met de buitenwereld 

Op de plaatsen waar men de verbindings- 
draadjes wil bevestigen etst men nu het 
glas weg. Dit is dus op de oorspronkelijke 
N-laag, de boorlaag en de daarin ver- 
kregen fosforlaag. 

Vervolgens bedekt men het gehele op- 
pervlak met een aluminiumlaagje. De 





40 


Hobbit 


M Praktische HDS 


transistor is nu dus met alle aansluit- 
punten kortgesloten. Met behulp van een 
bedradingspatroon wordt nu al het teveel 
aan aluminium weggeëtst (op de zelfde 
manier als bij het maken van een print). De 
verbindingsdraadjes naar de aansluit- 
punten van de transistor blijven nu over. 
Op de bovenbeschreven manier worden 
transistoren in geïntegreerde schake- 
lingen gemaakt. In dit geval dus een NPN- 
transistor. Het oorspronkelijke N-gedo- 
teerde silicium is de collector, het met 
behulp van boor tot P gedoteerde silicium 
is de basis en het daarin gediffundeerde 
N-laagje is de emitter. 


Losse transistoren verkrijgt men door er 
een heleboel in rijen onder en naast elkaar 
te maken op dezelfde plak, om die later 
van elkaar los te breken. De aansluitdraad 
van de collector hoeft men niet speciaal 
aan de bovenkant te bevestigen omdat 
men in vele gevallen de transistor in een 
metalen huisje zal onderbrengen, waarbij 
de behuizing dan tevens de aansluiting 
met de collector zal zijn. 

De verbinding van de collector wordt 
daartoe aan de onderkant van de 
N-drager (het oorspronkelijke stukje 
silicium) gemaakt. 

Wordt een kunststof omhulling toegepast 
dan wordt de aansluitdraad voor de 
collector meestal ook aan de onderkant 
bevestigd. 

De beschreven transistor met drie lagen 
boven elkaar noemt men een planaire 
transistor (fig. 5). 


Isolatie 

Als men op de beschreven wijze tran- 
sistoren in een geïntegreerde schakeling 
maakt moet men ze van elkaar isoleren. 
dit gebeurt met in sperrichting gescha- 
kelde dioden. Ook nu maakt men vele 
schakelingen op een plak. 

Het uitgangsmateriaal is nu echter een 
grote diode in de vorm van een plak. Deze 
plak bestaat uit een ca. 190 um dikke P- 
laag waar men een 10 um dikke N-laag op 
heeft laten groeien. Dit is op een zodanige 
manier gebeurd dat het kristalrooster van 
het P-silicium is door gegroeid in het N- 
silicium. 


De oorspronkelijke P-laag was een mono- 
kristal en het nu ontstane geheel is ook 
weer een monokristal. In dit geval spreekt 
men van een epitaxiale N-laag. 

Men begint d.m.v. een isolatiepatroon op 
bepaalde plaatsen zogenaamde isolatie- 
diffusies aan te brengen. Deze isolatie- 
diffusies begrenzen een oppervlak en in 
dit oppervlak brengt men op de hierboven 
reeds beschreven manier de elementen 
van de geïntegreerde schakeling aan. 
Een voorbeeld: 

Stel we hebben twee naast elkaar 
liggende transistoren in een deel van het 
totale oppervlak van een geïntegreerde 
schakeling. Dit is in fig. 6 weergegeven. 


„Fig. 5. Het inwendige van een transistor. 


p Silicium 


n silicium 


nt 


sis diffusie = p 


- collectoraansl. diff-nt 


a 
7) 
5 

vo 
pn 
@ 
5 
E 
wv 


—_ pt diffusie 


— b 


n* silicium verbindingsdraadjes 


aan de diffusielagen 


planaire npn 
transistor 


Fig. 6. Twee naast elkaar 
liggende transistoren in 








Hierin zijn twee oppervlakjes getekend, 
waarbij ieder oppervlak een transistor 
moet worden. 

Beide transistoren zijn van elkaar ge- 
scheiden d.m.v. een zogenaamde ‘diepe 
P-diffusie’. We zien hier duidelijk dat de 
V-vormige diepe P-diffusie dóór de 10 um 
diepe N-laag (de epitaxiale laag) tot in de 
daaronderliggende P-laag van de plak 
doorloopt. Deze diffusie heeft een zware 
P-dope, een P+-dope. De isolatiediffusie 
is dusca. 11 à 12 um diep. 


Eilandjes 

Er is nu dus een elektrisch contact met de 
onderliggende P-laag. Deze P-laag 
leggen we aan het punt met de laagste 
spanning van de schakeling. 

Dit zal dus in het algemeen de minpool 
van de voedingspanning zijn (de 

massa). Let wel: een P-laag (plus) aan 
de minpool dus! 

De collectoren van de beide transis- 
toren worden nu gevormd door de op- 
pervlakken tussen de beide diepe 
P-diffusies in. Bij NPN-transistoren 
komen die collectoren aan de positieve 
spanning van de schakeling te liggen. 
Ook hier, net zoals bij de P-laag, aan de 
‘verkeerde’ kant van de voedingspanning. 
De diepe P-laag vormt met de N-laag een 
diode in sperrichting. 

Zoals bekend is de weerstand van een 
diode in sperrichting zo groot, dat deze als 





oneindig mag worden verondersteld. De 
beide transistoren zijn op deze manier 
keurig van elkaar geïsoleerd. 

Een door diepe P-diffusies omgeven op- 
pervlak noemt men een eiland. Kijkt 
men op het oppervlak van de schake- 
ling dan ziet men deze diepe 

P-diffusies ook als ‘kanalen’ over de 
plak lopen. 


Hoe komt het nu dat een eenmaal 
werkende transistor ook werkelijk blijft 
werken? 

Dit zit hem in het feit dat een diffusie 

niet alleen loodrecht plaatsvindt maar 
ook lateraal (in horizontale richting), onder 
het oppervlak waardoor de diffusie 
plaatsvindt en daar ook inwendig voorbij! 
Bij elke diffusie vormt zich boven het gat 
glas. De PN-overgangen komen dus 
onder dit glas te liggen, beschermd tegen 
de omringende zuurstof. Als dit niet het 
geval was, dan zou de PN-overgang 
binnen de kortste keren verloren gaan! In 
het volgende deel komt de transistor als 
versterker ter sprake, mét de nodige 
schakelschema's en rekenvoor- 
beelden! 


J.J. Schurink 


nnn nnn eneen 


Hobbit 


41 


MBouwonEwerp 


Versterkersysteem 
met hybride 
schakelingen (1) 


Het betreft hier een unieke stereoversterker, die maximaal maar liefst 2 x 
75 W effectief vermogen kan leveren met een totale vervorming van 
minder dan 0,8%. Voor de eindversterkers wordt gebruik gemaakt van 
modulen, die Philips kant-en-klaar levert. Voor optimaal gebruik van deze 
modulen zijn kleine extra schakelingen noodzakelijk. De versterker- 
installatie wordt voorzien van volume-, balans- en toonregeling. Het 
bijzondere aan deze regelingen is dat ze werken volgens elektronische 
technieken. Dit houdt o.a. in dat alle potmeters mono zijn en alleen maar 


gelijkspanningssignalen voeren! 


Voor de versterker is een speciale voeding nodig, die in dit eerste deel van 


de artikelenserie wordt besproken. 


In het volgende nummer wordt de eindversterker besproken en in het 
daarop volgende nummer zullen de toon-, balans- en volumeregeling uit 


de doeken worden gedaan. 


Er zijn in de loop der tijd al heel wat ver- 
sterkerinstallaties voor zelfbouw geweest. 
Het merendeel daarvan was voor de 
beginnende doe-het-zelver te moeilijk om 
goed te kunnen nabouwen. Daarnaast 
waren de kwaliteits-apparaten zo gecom- 
pliceerd, dat deze überhaupt voor de 
meeste vrijetijds-elektronici niet tot een 
goed eind waren te brengen. In ons labo- 
ratorium hebben we getracht een oplos- 
sing te zoeken voor dit probleem, waar- 
door het toch mogelijk is voor iedereen die 
een soldeerbout kan hanteren een stereo- 
versterker te bouwen. De grootste moei- 
lijkheid zit bij dergelijke apparaten in de 
eindversterkers en de bedrading. Vooral 
de eindversterkers zijn bij zelfbouw vaak 
moeilijk reproduceerbaar. Goede eind- 
trappen vereisen meestal nauwkeurige 
afregelingen en daar is dan weer vakman- 
schap en meetapparatuur voor nodig. Dit 
probleem hebben wij omzeild en hebben 
onze toevlucht gezocht tot de modulen 
OM931 en 961 van Philips. Beide modu- 
len worden gevoed uit een symmetrische 
gelijkspanningsvoeding. Hierop komen 
we nog terug. Belangrijk bij een dergelijke 
voeding is dat de beruchte uitgangselco in 
de luidsprekerkring ontbreekt. 

De modulen OM931 en OM961 zijn uit- 
wendig hetzelfde en worden op een spe- 
ciaal printje aangesloten. OM931 levert 
30 W effectief bij 0,2% vervorming en 
OM961 geeft hetzelfde resultaat bij 60 W 
effectief. Zelfs een groter uitgangsvermo- 
gen is mogelijk. Daarbij neemt de vervor- 
ming echter toe. Zo levert OM931 40 W bij 
0,7% vervorming en OM961 levert, met 
hetzelfde vervormingspercentage, 75 W. 
Daarbij moet worden opgemerkt dat zelfs 
0,7% vervorming voor 90% van de luister- 
aars onhoorbaar is. Over vervormingen 


wordt nogal veel gezegd en geschreven. 
Vooral de laatste jaren krijgt men de in- 
druk dat iedereen de geringste geluids- 
vervormingen waarneemt en als hinderlijk 
ervaart. Niets is minder waar. Zolang u 
nog steeds bij verschillende weergevers 
duidelijk verschillende klankindrukken 
krijgt kunt u rustig aannemen dat de boxen 
meer vervorming geven dan de huidige 
versterkers. 


Elektronische regelingen 

Naast de genoemde modulen voor de 
eindversterkers, die de bouw voor ieder- 
een vergemakkelijken, vormt voor veel 
bouwers de bedrading een probleem. De- 
ze is er meestal oorzaak van dat de ver- 
sterker bromt, of bepaalde vormen van 
instabiliteit vertoont. Vooral wordt het als 


Fig. 1. 


lastig ervaren dat de regelaars, op het 
front van de kast, ver weg zitten van de 
betreffende printaansluitingen. Worden 
deze zo kort mogelijk gehouden, dan is 
men meestal niet meer vrij in de opstel- 
lingsmogelijkheden op het front van de 
versterker. Wij hebben dit probleem geëli- 
mineerd door elektronische regelingen te 
gebruiken. Daarbij worden speciale IC's 
toegepast die zorgen voor volume-, ba- 
lans- en toonregeling. De geluidssignalen 
(in elektrische vorm) lopen nu niet meer 
via de potmeters, maar blijven op de prin- 
ten. Naar de potmeters lopen nu alleen 
gelijkspanningen, die niets te maken heb- 
ben met het eigenlijke versterkersignaal. 
Het leggen van de bedrading van en naar 
de potmeters speelt daardoor geen rol 
meer en ook de draadlengte is niet meer 
van belang. Deze bedrading is trouwens 
uitermate simpel omdat alle potmeters 
mono zijn uitgevoerd. Zo kan met een 
enkelvoudige potmeter het volume van 
beide worden geregeld. Met een simpele 
aan/uit schakelaar kan tevens een fysio- 
logische volumeregeling worden in- en 
uitgeschakeld. 

In principe wordt de versterker in 3 delen 
besproken. Afhankelijk van de belangstel- 
ling zullen nog enige aanvullende schake- 
lingen worden behandeld. Het gaat daar- 
bij om een spraakregelaar (presence-een- 
heid), een elektronische ingangskeuze- 
schakelaar en voorversterkercircuits voor 
magneto-dynamisch- en kristalelement. 
In dit eerste deel van de serie beperken 
we ons tot de voeding, die zowel de eind- 
trappen als voorversterkerschakelingen 
van spanning voorziet. 


Blokschema 

Figuur 1 geeft een blokschema van de 
complete stereo-versterker. Blok E stelt 
de voeding voor. Deze is uiteraard ver- 
bonden met het 220 V lichtnet. De voeding 
levert een gestabiliseerde spanning van 
+35 Ven —35 V voor de eindversterkers 


Blokschematisch bestaat het stereoversterkersysteem uit 


5 hoofddelen. Twee daarvan zijn de eindtrappen. Blok E is de voeding 
en de blokken A en B zijn respectievelijk voor de volume-, balans- en 


toonregeling. 


NL 3406 
ShDpe 
B genderng ) 


NL 3405 
{voorver- 
e sterker) 





LS links 


LS rechts 
4-82 


voeding 





42 


Hobbit 


A Bouwontwerp 


C en D. Daarnaast is een voedingsspan- 
ning van 15 V (gestabiliseerd) voorhan- 
den, die nodig is voor de volume- en ba- 
lansregeling (blok A) en de toonregeling 
(blok B). 

Het schema volgens fig. 1 geeft al duidelijk 
aan dat de bouw van de versterker simpel 
is. Als de vijf printjes zijn gebouwd kan met 
een eenvoudige bedrading de versterker 
worden afgemaakt, terwijl het resultaat 
verbluffend is. 


Bouwpakketten 

De blokken A en B uit fig. 1 zijn bouw- 
pakketten van Philips. Omdat Philips 
reeds zeer goede elektronische volume-, 
balans- en toonregelingen heeft ontwik- 
keld, is het zinloos dit nog eens opnieuw te 
doen. De blokken A en B worden in deel 3 
van de serie uitvoerig behandeld. 

Het combineren van de elektronische re- 
gelingen met de moduul-eindversterkers 
levert een kleine moeilijkheid op. De ver- 
sterkercircuits van de blokken A en B kun- 
nen niet zover worden uitgestuurd, dat de 
versterker vol vermogen kan leveren. 
Voor het oplossen van dit probleem is ge- 
bruik gemaakt van een kleine extra ver- 
sterkertrap op de print van de eindverster- 
ker. 


Symmetrische- en asymmetrische 
voeding 

Zoals reeds vermeld levert de voeding uit 
fig. 1 (blok E) +35 V en —35 V. Zo'n voe- 
ding noemen we symmetrisch. Om het 
verschil te kunnen aantonen met zijn te- 
genhanger de asymmetrische voeding, 
hebben we in fig. 2 een klein versterkertje 
getekend. De voeding daarvan ligt, via 
weerstand R3, enerzijds aan de nul. An- 
derzijds is een voedingspanning U, aan- 
wezig, die aan weerstand R1 en R2 is 
gelegd. Spanning staat altijd tussen (min- 
stens) 2 punten. Eén daarvan is de refe- 
rentie. In dit geval wordt +U, vergeleken 
met de nul. Zo’n voeding noemen we 
asymmetrisch. 

Figuur 3 geeft het contrast. Hier is een 


operationele versterker IC1 gegeven. 
Enerzijds wordt dit IC gevoed met +U, en 
we vragen ons nu af: +U, ten opzichte van 
wat? Wel, dat is natuurlijk t.o.v. de nul, die 
in dit geval aan weerstand R1 en R3 ligt. 
IC1 heeft echter ook nog een voedings- 
spanning —U,. Ook deze wordt natuurlijk 
gerelateerd aan de genoemde nul. Er zijn 
dus 2 voedingsspanningen (+U,) die 
beide worden vergeleken met de nul. 

Een voeding volgens fig. 3 noemen we 
symmetrisch. Een dergelijke voeding 
heeft een aantal voordelen t.o.v. een 
asymmetrische voeding. In de eerste 
plaats kan ervoor worden gezorgd dat het 
uitgangssignaal van IC1 in rust precies nul 
is. In dat geval loopt er geen gelijkstroom 
en zijn uitgangselco’s niet nodig. Ook de 
ingangen kunnen meestal direct worden 
gekoppeld, als de voorafgaande trap ook 
geen gelijkspanning in rust voert. In feite is 
het moduul OM931 of OM961 net zo voor 
te stellen als IC1. Daarbij is het nu geen 
geïntegreerde schakeling (IC), maar een 
schakeling die hoofdzakelijk is opge- 
bouwd met zeer kleine componenten. Het 
geheel is daarbij wel wat groter dan een 
IC-behuizing. De modulen worden ook 
wel hybride schakelingen genoemd. 


Ongestabiliseerde voeding 

Voor het krijgen van een symmetrische 
gelijkspanningsvoeding zijn twee secun- 
daire trafowikkelingen nodig. Fig. 4 geeft 
het schakelschema van de ongestabili- 
seerde voeding. Tri is de voedingstrans- 
formator, die hier secundair 2 x 30 V 
levert. W2 is de eerste secundaire wikke- 
ling, die naar bruggelijkrichter G1 gaat. 
Deze richt de spanning gelijk, waarna elco 
C1 het afvlakt. Over C1 zal ongeveer 1,4 x 
30 = 42 V staan. Onbelast kan dit zelfs 
44 V zijn. 

In fig. 4 gaat de tweede secundaire trafo- 
wikkeling (W3) naar bruggelijkrichter G2. 
Ook deze richt de wisselspanning gelijk, 
waarna C3 voor het afvlakken zorgt. Het 
zal u opvallen dat beide gelijkrichtcircuits 
identiek zijn. Zowel over C1 als C3 valt 


42 V gelijkspanning. Als we nu echter de 
minzijde van C1 verbinden met de plus- 
zijde van C3 ontstaat er een andere voe- 
ding. Stel daarbij dat we de gemaakte ver- 
binding tussen beide elco’s als nul zieh. 
We krijgen dan de situatie zoals fig. 5 laat 
zien. De onderzijde van C3 is nu —42 Ven 
de bovenzijde van C1 is + 42 V. We heb- 
ben nu een symmetrische voeding van 
+42 V. De referentie, of liever: de nul, Ís 
daarbij de verbinding tussen C1 en C3. 
We moeten daarbij niet uit het oog verlie- 
zen dat de spanning niet geheel onge- 
vaarlijk is. Tussen de pluszijde van C1 en 
de minzijde van C3 staat maar liefst 84 V. 
Het aanraken van deze beide punten te- 
gelijkertijd moet dan ook worden verme- 
den, omdat het in sommige gevallen do- 
delijk kan zijn. 

Voor het voeden van de versterker is de 
spanning over de elco’s C1 en C3 nog niet 
geschikt. De waarde hiervan gaat min of 
meer op en neer met het vermogen dat de 
versterker levert. Dit is nadelig voor de 
kwaliteit van het systeem. Daarom is het 
noodzakelijk dat de voeding spanning- 
gestabiliseerd wordt. 


Spanningstabilisatie 

Fig. 6 geeft de stabilisatieschakeling voor 
de positieve spanning van 42 V die over 
elco C1 staat. D1 is een zenerdiode met 
een spanning van 36 V. Weerstand R1 
voedt D1. Ook al varieert de 42 V ingangs- 
spanning: de spanning over D1 blijft con- 
stant. Daarbij moet natuurlijk de ingangs- 
spanning niet lager worden dan 36 V. In de 
praktijk is het zo dat D1 goed werkt als de 
ingangsspanning niet onder ca. 37,5 V 
komt. 

Voor goede werking van de stabilisatie- 
spanning mag de ingangsspanning niet 
onder 38 V komen. Natuurlijk kan de sta- 
biele spanning over D1 niet direct aan de 
eindversterkers worden toegevoerd. Het 
vermogen zou minimaal zijn. Daarom 
wordt de spanning over D1 gebufferd door 
de transistoren T1 en T2. T1 is een ge- 
wone emittervolger, met in de collector 


Fig. 2 Asymmetrische voedingen 
komen het meest voor en hebben in 
versterkertechnieken o.a. tot ge- 
volg dat er veel koppelelco's nodig 
zijn. 


Fig. 3 Bijoperationele versterkers Fig. 4 Hetongestabiliseerde gedeelte van de voe- 
worden het meest symmetrische ding bestaat uit twee identieke delen, die elk een 
voedingen gebruikt. Over het alge- eigen secundaire trafowikkeling hebben. 

fd ontbreken daarom koppel- Ë o+ 
elco's. 


+ Up Inl 


220ve WI | 


Hobbit 43 





A Bouwontwerp 


een weerstand R2. Als T1 gaat geleiden 
zal op een bepaald punt de spanning over 
R2 een zodanige waarde krijgen dat T2 in 
geleiding komt en stroom gaat leveren via 
de collector. Wordt deze stroom te groot, 
dan zal de spanning +U, willen stijgen en 
wordt T1 automatisch dichtgedrukt, zodat 
ook over R2 minder spanning komt te 
staan. Het systeem werkt eigenlijk als 
tegenkoppeling. Kenmerk van de speciale 
manier van schakelen met T1 en T2 is dat 
de uitgangsspanning +U, bijzonder sta- 
biel is. Het spanningsverlies is ongeveer 
700 mV, vanwege de basis-emitterover- 
gang van T1. In feite is +U, geen 35 V, 
maar 35,3 V. Vooropgesteld dat D1 exact 
36 Vis. In de praktijk zal dat nooit zo zijn, 
maar dat is niet belangrijk omdat toleran- 
ties zijn ingecalculeerd. 

Voor het verkrijgen van een negatief ge- 


nul. 





stabiliseerde spanning is net zo'n schake- 
ling nodig als fig. 6 laat zien. Alleen zijn de 
transistoren complementair en zit de 
zenerdiode omgekeerd. 

Figuur 7 geeft het schakelschema van de 
spanningsstabilisator voor het verkrijgen 
van —35 V. We moeten daarbij bedenken 
dat de nul hier in feite de plus van elco C3 
is. Over D2 valt weer 36 V. Deze zener- 
diode zit natuurlijk omgekeerd omdat de 
voedingsspanning precies andersom is 
gericht. T3 is nu een PNP transistor en T4 
een NPN type. De gestabiliseerde span- 
ning —U, is ook erg stabiel en laagohmig. 


Extra voedingsspanning 

Voor het voeden van de voorversterker- 
schakelingen is 15 V gestabiliseerd nodig. 
Deze spanning kunnen we afleiden van de 
+35 V, zodat geen extra trafowikkeling en 


Fig. 5 De uitgangen van beide ongestabiliseerde 
gelijkspanningen worden op een speciale manier aan 
één kant met elkaar verbonden, waardoor twee voe- 
dingspanningen ontstaan met gemeenschappelijke 


Fig. 6 Voorhet stabiliseren van de positieve 
spanning wordt gebruik gemaakt van een ze- 
nerdiode en een zogenaamde super-emitter- 
volger. 


Fig. 7 De stabilisatieschakeling voor de negatieve 
spanning is, wat betreft de opzet, gelijk aan die van de 
positieve spanning. De transistoren zijn echter com- 
plementair en de zenerdiode zit (uiteraard) omge- 


draaid. 


44 


gelijkrichtcircuit nodig is. Fig. 8 geeft de 
spanningsstabilisator voor 15 V. D3 is hier 
de referentiediode die een waarde heeft 
van 15 V. R5 voorziet D3 van spanning. 
De spanning over D3 kan niet direct aan 
de betreffende schakeling worden toege- 
voerd, omdat de totaal benodigde stroom 
niet via R5 beschikbaar is. Daarom is 
achter D3 een emittervervolger T5 ge- 
plaatst. 


Hieruit mag ruim 100 mA worden getrok- 
ken. Hoewel we in de schema's de span- 
ning Uv steeds aanduiden met 15 V is 
deze theoretisch lager. Dit komt door het 
spanningsverlies van de basis-emitter- 
overgang van T5. Hier ontstaat een verlies 
van ca. 700 mV, zodat eigenlijk de uit- 
gangsspanning 14,3 Vis. 


Fig. 8 De voorversterkerschake- 

lingen worden gevoed met een ge- 
stabiliseerde spanning van 15 V. nulo 
Deze spanning wordt met de hier 

gegeven schakeling afgeleid vande +35 V. 


2 
36V 1,5W 
BA (BZX87) 


re 
100uF +15V 
40OmW | 35V Uv 


Fig. 9 Het schakelschema van de voeding. 
Bij ‘zware’ voedingstransformatoren, zoals 
hier gebruikt, is een zekering onontbeerlijk. 





03 
4700 pF/53V 





Hobbit 


te oh CE of 





4 Bouwontwerp 


Totale voedingschakeling 

Figuur 9 geeft het schakelschema van de 
complete voeding. S1 is de 220 V net- 
schakelaar en Z een zekering. Tr1 is een 
transformator van Amroh. T.o.v. de be- 
sproken afzonderlijke voedingsdelen zijn 
alleen de elco’s over de zenerdioden niet 
aan de orde geweest. Deze elco’s werken 
als filter, in samenwerking met de voor- 
schakelweerstanden van de zenerdioden. 
Hierdoor ontstaat een betere onderdruk- 
king van de 100 Hz rimpelspanning, die 
over de voedingselco’s staat. In de sche- 
ma's van de versterker duiden we de drie 
voedingsspanningen steeds aan met 
‘“+U‚’ (+35 V), ‘—U‚’ (—-35 V) en ‘+Uv’ 
(HBV). 


Print 

Fig. 10 geeft de lay-out voor de print waar- 
op de schakeling kan worden bevestigd. 
De componentenopstelling van de scha- 
keling volgens fig. 9 geeft fig. 11. De voe- 
dingstransformator, zekering Z, schake- 
laar S1 en de elco’s C1 en C3 komen niet 
op de print. Hetzelfde geldt voor de eind- 
transistoren T2 en T4. Deze moeten, van- 
wege het vereiste koeloppervlak, extern 
op koellichamen of aan de metalen behui- 
zing worden vastgemaakt. Belangrijk is 
dat T2 en T4 geïsoleerd worden opge- 
steld, om kortsluitingen te vermijden. Hier- 
bij moet gebruik worden gemaakt van 


weerstanden: 
R1,R3 = 270 0/Vs W 
R2,R4 = 10 0/Vs W 
R5 = 1,5 k0//2 W 


condensatoren: 

C1, C3 = 4700 uF/63 V 

voor eindtrap OM931 (2 x 40 W) 
C1, C3 = 10 000 4F/63 V 

voor eindtrap OM961 (2 x 75 W) 
C2,C 4 = 100 uF/40 V, axiaal 
C5 = 100 uF/25 V, axiaal 


halfgeleiders: 

G1, G2 = bruggelijkrichter, BY225-100, 
BY225-200 

T1, T5 = BD203, TIP29A ... C 

T2 = BDV64, TIP2955 

T3 = BD204, TIP30A ... C 

T4 = BDV65, TIP3055 

D1, D2 = zenerdiode, 36 V/1,5 W (BZX87) 
D3 = zenerdiode, 15 V/400 mW 


overige componenten: 

Tri = voedingstransformator, 220 V primair, 
2x 30 V/2,5 A secundair voor 2 x 60 W effectief 
uitgangsvermogen, Amroh-type P287 

S1 = schakelaar, enkelpolig aan/uit voor 

220 V, met verlichting 

Z = zekering 1A, traag 

1 zekeringhouder, chassismontage 

3 koellichaampjes voor TIP-behuizing 


19 printpennen, 1 mm rond 
1 print HB 3 








Afb. 12 Deze foto toont de compleet gemon- 
teerde print. De drie printtransistoren zijn voor- 
zien van kleine koellichaampjes. 


micaplaatjes en isolatieringen. Voor de 
transistoren kunnen verschillende typen 
ie genomen (zie de componenten- 
iijst). 

Afb. 12 geeft een indruk van de gemon- 
teerde print. Hierop is te zien dat de drie 
printtransistoren allemaal zijn voorzien 
van een koellichaampje. Deze kunnen 
met M3 materiaal aan de print worden 
vastgeschroefd. Isolatie t.o.v. de betref- 
fende transistor is niet noodzakelijk. Leter 
wel op dat de koellichaampjes elkaar niet 
raken. Om verdere montage te vergemak- 
kelijken is het aan te raden de externe 
printaansluitpunten te voorzien van aan- 
sluitpennen. 











J 


Fig. 11 De componentenopstelling van de schakeling volgens fig. 9 op 
de lay-out van fig. 10. Transistor T2 en T4 worden extern op koelvlakken 


aangebracht. 





Fig. 10 De print lay-out, voor de schakeling volgens fig. 9. De schaal is 
hier 1 : 1 en het aanzicht is dat van de soldeerzijde. 








Hobbit 








Bouwontwerp 


Let bij de montage goed op de aansluit- 
polariteit van de elco’s en aansluitrichting 
van de zenerdioden. Elco C5 moet verti- 
kaal worden geplaatst. Hetzelfde geldt 
voor weerstand R5. Zorg bij de mecha- 
nische bewerkingen dat de afstand tussen 
de voedingstrafo, elco’s C1 en C3, tran- 
sistoren T2 en T4 en de printaansluitpun- 
ten niet te groot is. Neem vooral niet te dun 
draad. Het beste is ten minste 1 mm?2te 
nemen, terwijl 1,5 mm? de voorkeur heeft. 
Voor het aansluiten van de primaire trafo- 
wikkeling (zie fig. 13) kan het beste dik 
geïsoleerd tweelingsnoer worden ge- 
bruikt. Gemakkelijk is het verder voor S1 
een schakelaar te nemen met ingebouw- 
de verlichting. Voor zekering Z moet een 
chassishouder worden genomen, die aan 
de achterzijde van de kast kan komen. 
Ter verduidelijking van de externe verbin- 
dingen van de print geeft fig. 13 nog een 
gedetailleerde schets. Voor de voedings- 
nul zijn twee punten (13 en 14) beschik- 
baar. Het maakt niet uit welke er wordt 
gebruikt. 


Fig. 13 Extern heeft de voedingsprint 19 aansluitpunten waarvan er 


2 hetzelfde zijn (13 en 14). 


Tot slot nog het volgende: de transistoren 
T2 en T4 hebben SOT-93 behuizingen. 
Deze lijken veel op de TIP-behuizing 
SOT-82 en zijn alleen iets groter. Als een 
SOT-93 behuizing zo wordt vastgepakt, 





dat de aansluitdraden naar beneden wij- 
zen en de metalenkoelplaat naar achte- 

ren, dan zit de collectoraansluiting in het 
midden, de basis links en de emitter 


rechts. (wordt vervolgd) 











In het volgende nummer: 


Transistorontsteking. 


Bij een conventionele ontsteking slijten 
de contactpuntjes op twee manieren: het 
nokje slijt en de contactoppervlakken 
branden in. Vooral deze laatste slijtage 
draagt er toe bij dat de punten om de 

10 000 km vervangen moeten worden. 





Bij een transistorontsteking schakelen de 
punten slechts een kleine stroom waar- 
door deze slijtage sterk afneemt. In het 
Hob-bit lab ontwikkelden wij zo’n ontste- 
king die verder als voordelen heeft dat het 
ontstekingstijdstip niet meer verloopt, de 
betrouwbaarheid toeneemt en het brand- 
stofverbruik afneemt. 


6, 9 en 12 volt voeding. 


Het komt vaak voor dat een transistor- 
radiootje gerepareerd moet worden, of 
dat de autoradio het niet meer doet. 

Zeer veel apparaten werken met een 
voedingspanning die constant is en 
meestal 6, 9 of 12 volt bedraagt. De auto- 
radio werkt bijvoorbeeld op 12 volt, maar 
het transistorradiootje op een 9 volt 
batterijtje. 

Om deze apparaten te laten werken of te 
repareren moeten we dus de beschikking 
hebben over een voeding die één van 
deze spanningen afgeeft. Zo'n voeding 
vindt u in het volgende nummer. 








Versterkersysteem (2). 


In het tweede deel van onze stereover- 
sterker voor zelfbouw wordt de eindver- 
sterker beschreven. 


on WA | 


HUREN 


nd 


Tesamen met de in dit nummer be- 
schreven voedingsschakeling en het 
laatste deel, waarin de voorversterker 
met de volume, balans en toonregeling 
wordt besproken, heeft u een complete 
handleiding waarmee u uw eigen kwali- 
teitsversterker kunt opbouwen. 





46 


Met Kluwer naar de 






Van 6 tot 12 november a.s. wordt de 
ge internationale vakbeurs 
„Elektronica ’80” te München gehouden. 


De ontwikkeling van deze tentoonstelling houdt gelijke 
tred met de rasse evolutie van de elektronica op de 
wereldmarkt. 


Zelfs na 17 jaar staat de elektronica-beurs te Munchen nog steeds bovenaan in de 
internationale vakwereld. Een bezoek aan deze elektronica-beurs geeft u een uitstekend inzicht 
in het complexe gebied der elektronica. 


























Wat biedt u deze vakbeurs? In de reissom zijn begrepen: U logeert in het eersteklasse 
a) vliegreis Amsterdam/Mün- hotel Arnulf, dat centraal in Mün- 
Componenten en systemen voor chen v.v. per lijndienst chen is gelegen. 
ontwikkeling en produktie van b) akkommodatie op basis van 
apparatuur voor de informatie- logies/ontbijt Toeslag 1-persoonskamer: 
en meettechniek, de industriële c) vervoer luchthaven/hotel v.v. f 30, p.p. per nacht./Bfr. 460 
en elektronica en aanverwante d) toegangsbiljet 
gebieden. 
Tot de exposanten behoren ook 
software bureaus, adviesbu- Boekingscoupon 
reaus en andere dienstverlenen- 
de bedrijven. ennn nnn nnn nn 
KI it h a á E Deze coupon in envelop, zonder postzegel ä 
Ee stelt eat ES ID Be E sturen naar: Kluwer Technische Tijdschriften B.V. Ë 
gelegenheid om deze interes- EA Afdeling vakreizen Antwoordnummer 7 E 
sante en toonaangevende elek- 7400 VB Deventer E 
tronica-vakbeurs te bezoeken. E voor België: Desguinlei 102, bus 7 2000 Antwerpen E 
E na 1-10-80: Putlei 33 2000 Antwerpen E 
In samenwerking met een erkend 2 Ik/wij maak/maken graag gebruik van uw U kunt ook telefonisch reserveren. É 
ANVR-reisbureau zijn wij erin B aanbod met Kluwer te reizen naar de Elek- Tel. 05700-9.16.97/9.14.66 E 
geslaagd 2-en 3 daagse vliegrei- B _tronica 80 — vakbeurs te München. 
zen naar München te organise- z 5 
ren. B Naam: dhr/mvr./mej. Gewenste reis: n 
2-daagse reis: B Naam: dhr/mvr/mej. — —_—_______—___—_— D2-daagse reis- vertrek: 10 /11 nov. E 
vertrek op maandag 10 en dins- 5 Adres: 3-daagse reis- vertrek: 6 nov. E 
dag 11 november 1980. 8 emmae: Bike: È 
Reissom: f 565, p.p./Bfr. 8650 n TE Gewensteramei E 
ae ' ë 
3-daagse reis: E Handiekering: | 0 1-persoons 5 
vertrek op donderdag 6 novem- A EN 2-persoons 1 
ber. 
Reissom: f 640,- p.p./Bfr. 9800 Benares naarsanRsarvns RE 





Omcirkel no. A13 op de Infokaart. 


Officiële leverancier 
van meetbanden voor 
de Olympische Spelen 
1980 in Moskou 


Omcirkel no. A14 op de Infokaart. 





De Weller SPI reeks soldeerbouten is ontworpen om de amateur 
professioneel soldeergereedschap te geven om zowel fijn elektronisch 
als zeer zwaar soldeerwerk te doen. 

De hobbyist vindt in deze range van zes afmetingen de juiste bout 
voor elektronische en elektro-technische toepassing. 

Deze bouten hebben de bekende Weller “longlife” verijzerde stiften en 
beproefde elementen. Zij zijn dus sterk en veelzijdig en op grote schaal 
bruikbaar voor reparatie-en servicedoeleinden. 

De Weller SPI soldeerbouten hebben VDE, CEE en het keurmerk 
van veel Europese landen en zijn een “must” voor de elektronika-man 
thuis, die alleen het allerbeste wenst. 


ES 
The Cooper Group Deutschland GmbH | 
ZeppelinstraBe 3 

Postfach 140, D-7122 Besigheim 


COOPER 
Tel: (07143) 3866. Telex: 724928 Welo d CRESCENT- LUFKIN- NICHOLSON WELLER:WISS-XCELITE  UNOUSTRiS